Waarom het Sint Alphonsuskoor pas 125 jaar bestaat

In 2004 vierden wij het 150 jarig bestaan van de Onze Lieve Vrouwekerk. De vraag is dus gerechtvaardigd waarom het Sint Alphonsuskoor pas in 1881 werd opgericht. De eerste kerkgelegenheid bij het Redemptoristenklooster was de kloosterkapel. Aan deze kapel, die op 5 november 1850 werd ingewijd, was nog geen koor verbonden zoals blijkt uit de kronieken, waarin wordt vermeld dat bij de uitvaart van een pater Redemptorist een stille Mis werd gelezen.

Aan de noodkerk, die van 1851 tot 1854 werd gebruikt, was wel een koor actief, de kronieken vermelden een plechtige Hoogmis op 24 juni 1853 waarna "het zangkoor wordt getrakteerd". Maar van een geregelde toestand was nog geen sprake. Zo vertelt de kroniekschrijver in november 1854:
"Zeker zijn wij grote dankbaarheid aan de leden van het zangkoor verschuldigd wijl zij gratis in onze kerk zingen; daar er echter geen regel op het koor geweest is, en de Heeren Koristen van lieverlede medeleden van het koor geworden zijn, is het ligtelijk te begrijpen, dat deszelfs regelmatigheid veel te wenschen overlaat, en dat het op zekere wijze uit onvereenigbare elementen is samengesteld; moeielijk is het uit zulke leden een goed geheel te vormen".
Na enige vergaderingen wordt uiteindelijk een reglement vastgesteld en worden de eerste leden ingeschreven.

Op muzikaal gebied was er van orde nog geen sprake: men zong nog niet kerkelijk. In 1859 lezen wij in "De Tijd" een recensie van een nieuwe mis, gecomponeerd door de organist A.W. Smit:
"Wij wenschen den komponist geluk met deze gelukkig geslaagde proef van zijn ongemeene aanleg en van zijn alleszins prijsbare zucht om ware kerkmuziek te schrijven in den echten zin van het woord. Het christelijke oor is te dikwerf in onze tempels ontsticht geworden door eene theatrale muziek, die, wel verre van godsvrucht op te wekken, de aandacht van het gebed vervreemdt, dan dat wij ons niet opregtelijk verheugen zouden in de zachte melodiŽn van den Heer Smit, die de woorden begeleiden om ze dieper in de harten te doen gaan en ze vandaar tot God te rigten. De auteur is op den goeden weg. Hij ontwikkele zich in die rigting; hij beoefene meer en meer de groote Italiaansche meesters in de kerk-muziek; en wij hopen, dat hij eenmaal slagen zal de muziek uit onze tempels te verdrijven, die meer voor de aankweeking van den wereldzin dan van de godsdienst geschikt is".
In 1859 kwam het orgel van broeder Casper Retlar gereed, maar de zangers waren daarmee niet tevreden want er werd driftig op bazuinen geblazen, want bij een plechtige uitvaartdienst in 1861 werd een gregoriaanse mis uitgevoerd met begeleiding van orgel en bazuinen "wat een bijzonder schoon effect maakte". De strijd voor de ware kerkmuziek werd aangepakt door de in 1878 opgerichte Sint Gregorius vereniging. Ons koor sloot zich op 1 mei 1881 hierbij aan en deze datum wordt aangehouden als de oprichtingsdatum van het koor.

Wat was nu ware kerkmuziek? In ieder geval het gregoriaans en de klassieke polyfonie van Palestrina en tijdgenoten maar ook de muziek van eigentijdse componisten zoals Goller, Haller en Koenen en ook de Redemptoristen pater Haagh en broeder Anselmus. Een promotor van de ware kerkmuziek is zeker Hubert Cuypers geweest. Hij was directeur- organist van ons koor van 1894-1911 en van 1913-1918. Hij componeerde veel kerkmuziek maar daarnaast propageerde hij het gregoriaans en de polyfonie met uitvoeringen van het Sint Alphonsuskoor o.a. in het Concertgebouw en het Amsterdams Conservatorium.

Toen ik in 1948 op het knapenkoor kwam hield Chris Maas (directeur-organist van 1944-1953) zich aan de regels, hoewel ik mij nu afvraag of de uitvoering van de 8-stemmige mis in E Moll van Bruckner bij gelegenheid van het eeuwfeest van de kerk wel door de beugel kon.

Met Louk Nelissen (1954-1955) werd de kloof tussen klassieke polyfonie en hedendaagse kerkmuziek gedicht met het instuderen van motetten van Mozart.

Anton van Dalen (1955-2003) ging op de ingeslagen weg voort, eerst met missen en motetten van Haydn, Mozart en Schubert, later met missen van Gounod en Puccini. Na het tweede Vaticaanse concilie werd in veel kerken de volkszang in het Nederlands ingevoerd. Zo ook in onze kerk waar eenmaal per maand een hoogmis met Nederlandse gezangen werd "gevierd". De enige die daar echt vrolijk van werd was de pastoor van de Zaaier op de Rozengracht die het bezoek in zijn kerk onmiddellijk zag stijgen. Het koor bleef, afgezien van een paar Nederlandse liederen, het gewone repertoire zingen. Wat wel veranderde waren de teksten in de Goede Week, met name de vervanging van het Exultet door een liedje met het refrein "Laat juichen in het rond". Het was waarschijnlijk Kees Fens die hierover een vernietigend artikeltje schreef met de titel "Vroeg juichen in het vierkant".

Een van de eerste handelingen van Rector Steinkamp was de invoering van het Romeinse missaal in 1986. Vanaf dat moment werd het Exultet weer in het Latijn gezongen. Rector van der Ploeg ging weer een stapje verder met zingen van de Passie in het Latijn.

Komen we nu bij de vraag "Waar gaan we met Erik-Jan naar toe?". Voor het verdwijnen van het Latijn ben ik niet zo bang want in de afgelopen Oktobermaand heb ik geen Nederlands Marialiedje gehoord. Dan de vraag modern of klassiek. Sommige kerkgangers hebben enige moeite met de keuze van de orgelwerken, moeten wij nu ook vrezen voor moderne koormuziek? Ik denk van niet. Het "Veni Emmanuel" van Z. Kodaly (1882-1967) is een goed voorbeeld van de synthese van klassiek en modern: een tekst uit de 12e eeuw op muziek uit de 15e eeuw getoonzet in moderne akkoorden.

Op dit feestelijk samenzijn bij gelegenheid van ons jubileum wil ik de wens uitspreken dat het ons koor nog veel jaren gegeven zal zijn goede liturgische muziek door te geven aan de volgende generatie.

Wim van Leeuwen, De Kelderhof, Prinsengracht 494, Amsterdam, 5 november 2006