Preek, gehouden door pater W. Sentenie CssR op zondag 2 mei 1971 bij gelegenheid van het 90 jarig jubileum van het Sint Alphonsuskoor


Gisteren was het 90 jaar geleden dat op 1 mei 1881 het Sint Alphonsuskoor van de Keizersgrachtkerk zich bij de Nederlandse Sint Gregorius vereniging aansloot.
Die datum, 1 mei 1881, is dan ook vanuit de oude jaarboeken vastgehouden als de stichtingsdag van ons zangkoor.
Buitenkerkelijk is dat 90-jarig jubilé eind februari in wat bredere familiekring van dames- en herenleden al herdacht; vandaag is de kerkelijke viering van dat jubilé in de omlijsting van Mozarts’s Krönungsmesse.
De kerkzang immers moet altijd in dienst staan van de liturgie en geeft er iets feestelijks aan.
Het is al weer enkele jaren geleden dat de vernieuwde liturgie in de Nederlandse kerkprovincie werd doorgevoerd. Dat heeft hier en daar wat beroering verwekt. En dat is begrijpelijk.
Er kwam een spanning aan het licht tussen - zoals iemand dat eens kortweg aangaf – tussen “Batavia Socet” en het “Frisia non cantat”, wat dan zoveel wil zeggen als “Batavia Socet”: “Holland wil de toon aangeven maar “Frisia not cantat”: “ de Nederlanders zijn in doorsnee geen zanglustig volk”.
De spanning werd kortsluiting, want het onmondige kerkvolk deed zijn mond niet open.
Ik heb wel eens gemerkt, dat het voor een buitenstaander de eenvoudigste zaak van de wereld lijkt, dat een groep van 30 mensen – dames en heren - in volmaakte harmonie van klank, melodie en ritme een mis van Mozart, Haydn, Schubert, klassieke meesters of nieuwere componisten ten gehore brengt.
De Kerk (met een hoofdletter) heeft altijd de kunst bevorderd, beveiligd en er van gehouden.
En niet enkel de ontwikkelde die zich toelegt op de geschiedenis van de kunst, ook de kunstenaar zelf die zijn talent wil vormen, ze moeten allebei terug tot de tijd dat er geen andere noemenswaardige schoonheid betreffende het gezongen woord bestond dan die welke klonk onder het kerkgewelf.
Ik denk nog altijd terug aan wat een wereldberoemde Mengelberg zei bij de aanvaarding van zijn ambt als dirigent van het Concertgebouworkest (ik meen in december 1934): “In onze beschaving is het katholieke kerkgebouw het eerste heiligdom geweest van de muziek”.
En later nog – en bij voortduring – grijpt het genie spontaan naar de diepe en menselijke ontroering die uitgaat van ons geloof.
Mij heeft het menigmaal getroffen (soms wel een bevreemd) dat ook niet katholieke meesters in de teksten van onze misliturgie inspiratie zochten en hebben gevonden.
De Kerk heeft altijd de kunst beveiligd, bevorderd en er van gehouden. Niet enkel omdat waarachtige kunst schoonheid brengt en alle schoonheid een afstraling is van God, maar ook omdat ze langs de wegen van de schoonheid de mens tot haar en zijn oorsprong, tot God, terugvoert.
Want zonder zichzelf of haar eigen levenswetten ook maar in iets te verloochenen kan ze apostolisch worden.
”Dichten en bidden”, zei Guido Gezelle, “moeten door elkaar heen lopen”.
De nog niet gedoopte Augustinus ging in Milaan naar bisschop Ambrosius luisteren. Hij ging om de welsprekendheid van de grijze kerkvorst te beluisteren, niet om te horen wat maar hoe hij preekte. Maar vanuit het welluidende woord drong met de schoonheid die hij zocht tegelijk de waarheid tot hem door die hij niet kende. En zo heeft Ambrosius, door de kunst van zijn welsprekendheid, als langs een voorportaal Augustinus, het grootste genie van het westen, de kerk binnengeleid.
Directeur en leden van het Sint Alphonsuskoor, op een dag als vandaag willen wij, paters en broeders van dit klooster, en mag ik namens de grote gemeenschap die deelneemt aan onze hoogmis, u allen dank brengen voor de magistrale vertolking van klanken, waarin het menselijk genie Gods woord heeft gevat. En mogen wij u vragen in de toekomst af en toe te putten uit het waardevolle van het nieuwe zonder daarbij uw aandacht te verliezen voor de kunstzinnige rijkdom van het oude.
Ik besef heel goed hoe voorzichtig we moeten zijn met omkijken en wil het woord traditie hier maar liever vermijden, wel wetend dat ook kerkelijke traditie hier en daar op “namaak “ is vastgelopen. Maar als we goud overgeleverd krijgen van het voorgeslacht dan blijft het zijn waarde uit het verleden behouden, niet omdat het “oud” is maar omdat het “goud” is!
Moge zo, mede door uw uitstekend verzorgde kerkzang, de liturgie steeds meer worden “verkondiging” van Christus’ heilsmysteries, en daardoor een altijd gewaardeerde bijdrage blijven tot de godsdienstige vorming van onze kerkgemeenschap.