Gemeenschapszin

Eind 2014 verscheen het rapport ‘Gescheiden werelden’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en van het Sociaal Cultureel Planbureau. Daarin wordt gesproken van een toenemende kloof tussen arm en rijk, hoog en laag opgeleid. Mensen zouden zich met gelijkgestemden terugtrekken in hun “comfort zone”. Ze wonen in verschillende wijken, lezen verschillende kranten en kijken naar andere tv-zenders. Het gaat dus bijna letterlijk om de “gescheiden werelden”.

Kennelijk voorkomt een vrije markteconomie niet dat zo’n sociale kloof in ons land kan ontstaan. De kerk probeert deze kloof te voorkomen. Uitgangspunt in het katholicisme is dat we een gemeenschap vormen. In de katholieke sociale leer staat de menselijke waardigheid centraal. De waardigheid van de mens die in staat is tot persoonlijke ontwikkeling en het aangaan van relaties met anderen. Daarin is hij afhankelijk van liefde van en verbondenheid met andere mensen. Het is aan de gemeenschap van mensen om ervoor te zorgen dat ieder zich kan ontwikkelen en zijn of haar plaats kan krijgen in de maatschappij. Als individuen tekortschieten, dienen taken in eerste instantie aan de lokale gemeenschap te worden overgedragen en dan pas aan de overheid. Dit is het beginsel van subsidiariteit, een belangrijk onderdeel van de sociale leer.

Ook in de brief van paus Franciscus I die eind vorig jaar werd gepubliceerd, de exhortatio “Gaudium Evangelii”, wordt de sociale kloof aan de orde gesteld. De paus spreekt in de brief over een economie van uitsluiting en ongelijkheid. Een economie die met zich meebrengt dat grote massa’s van de bevolking uitgesloten en gemarginaliseerd worden: zonder werk, zonder vooruitzichten, zonder uitweg. Hij spreekt niet zozeer over de tegenstelling tussen arm en rijk, of tussen hoog en laag opgeleid, maar over de tegenstelling tussen degenen die meedoen aan deze economie en degenen die daarvan uitgesloten zijn.

De paus merkt op dat de situatie van degenen die zijn uitgesloten de anderen steeds meer onverschillig laat. Bijna zonder het te merken worden we onbekwaam om medelijden te voelen ten overstaan van de ander. Het interesseert ons niet meer om zorg te dragen voor de ander, alsof het een verantwoordelijkheid is die ons vreemd is en niet toekomt. Aldus de paus. Hij vindt het een gemakzuchtige onverschilligheid. Of in de woorden van het SCP rapport: we trekken ons lekker terug in onze comfortzone waar we die ander niet tegenkomen en waar die ander zelfs niet lijkt te bestaan.

De paus werd na zijn brief wel voor communist uitgemaakt. En inderdaad, de paus ziet een belangrijke rol voor de Staat weggelegd. Er moeten volgens hem beslissingen, programma’s, mechanismen en processen komen die zijn gericht op een betere verdeling van de inkomsten, op het scheppen van werkgelegenheid en op een integrale zorg voor de armen die meer is dan louter bijstand. Er is ook wel gezegd dat de brief vooral is gericht aan de Derde wereld, waar de sociale markteconomie ontbreekt en waar de paus is opgegroeid. Maar ook voor Nederland heeft de boodschap van de paus betekenis, onder andere voor ondernemers, overheden, vakbonden en niet in de laatste plaats voor mensen. Het kan niet ontkend worden, dat ook hier groep mensen wordt uitgesloten van deelname aan de arbeidsmarkt en daarmee aan de maatschappij. We spreken hier eufemistisch over mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De paus spreekt duidelijkere taal. Hij heeft het over “de uitgeslotenen”.

Het is bemoedigend dat de boodschap van aandacht voor uitgeslotenen in de Nederlandse politiek wordt opgepakt, getuige het debat over de participatiesamenleving. Het gaat daarbij om een samenleving waaraan iedereen zijn of haar bijdrage levert. Wel valt op, dat juist een regering van socialisten en liberalen de taak van bevordering van participatie van uitgeslotenen van de arbeidsmarkt weer legt bij de gemeenschap, en dan voornamelijk, zo lijkt het, bij de werkgevers en de burgers. Velen noemen maatregelen in het kader van een participatiemaatschappij, zoals de Participatiewet die is bedoeld om gehandicapten aan het werk te helpen, bezuinigingsmaatregelen waarvan mensen het slachtoffer zijn doordat de overheid haar verantwoordelijkheid afschuift. Of dat wel of niet zo is, kan in het midden blijven. Het gaat hier vooral om wat wij zelf kunnen doen aan gemeenschapszin. Voor ons als gemeenschap van de Onze Lieve Vrouwekerk zou aan de orde moeten zijn hoe elk van ons het best kan bijdragen aan het “binnensluiten van uitgeslotenen”. De een heeft wat meer oog voor noden van anderen of is wat handiger in sociale contacten dan de ander, maar ieder kan proberen in 2015 het zijne of hare aan het welzijn van onze gemeenschap bij te dragen en daarmee aan het afbreken van de gescheiden werelden in onze samenleving, zodat we als gemeenschap van vrijwilligers een voorbeeld voor anderen worden.

Ik wens allen een gelukkig, gezond, inspirerend en sociaal 2015 toe!

Maurice Essers