Zware kost mee op vakantie

Op vakantie gaan meestal enkele spannende boeken mee, maar ook enkele serieuze boeken. De serieuze boeken waren dit jaar een tweedehandsboek van een euro over de geschiedenis van de Katholieke Handelshogeschool Tilburg in de periode 1927-1954. Het boek trok mijn aandacht vanwege de hoofdrol daarin van de uit het Zuid-Limburgse Gulpen afkomstige priester Joseph Cobbenhagen (1893-1954), één van de twee beroemde zonen uit dit plaatsje (de andere is Willem Vliegen (1862-1949), één van de eerste socialisten, die we kennen van het naar hem vernoemde W.H. Vliegenbos in Amsterdam-Noord). Beide heren groeiden op in de periode van wat wel het Rijke Roomse leven wordt genoemd (het eerste deel van de 20e eeuw). Cobbenhagen groeide op in het familiebedrijf dat sinds 1850 een kaarsenfabriek exploiteerde die katholiek Nederland van Mariakaarsen, Kerstkaarsen, Adventskaarsen en Paaskaarsen voorzag (en nog steeds voorziet!). Cobbenhagen studeerde aan het seminarie in Rolduc, waarna hij in 1917 tot priester werd gewijd. Daarna ging hij economie studeren aan de net opgerichte Handelshogeschool in Rotterdam, de voorganger van de Erasmus Universiteit, waar hij een proefschrift schreef over De verantwoordelijkheid in de onderneming (1927). In het jaar waarin hij zijn proefschrift voltooide, werd hij meteen ook hoogleraar Algemene Economie aan de in datzelfde jaar opgerichte Katholieke Handelshogeschool Tilburg (KHT), de voorganger van de Universiteit Tilburg. De opening daarvan ging (uiteraard) gepaard met een pontificale H. Mis in de Tilburgse Heuvelkerk. Enkele jaren eerder (1923) was de eerste katholieke universiteit in Nijmegen geopend, zodat katholieken in die periode voor het eerst in Nijmegen en Tilburg katholieke universitaire studies konden volgen “zonder vrees dat geloof en goede zeden gevaar zouden lopen” (aldus de president-curator van de KHT, baron Van Wijnbergen). Er was daarmee katholiek onderwijs van de bewaarschool tot en met de universiteit.

Links: Joseph Cobbenhagen.
Rechts: inzegening van de hogeschool met priesters en notabelen, o.a. H. Blomjous, onderwijsbisschop mgr. A.F. Diepen, baron E.J.Q.M. van Hovell tot Westerflier

Katholiek was de studie zeker. Cobbenhagen schreef een blauwdruk voor de KHT waarin een combinatie van economie en de katholieke sociale leer en ethiek centraal stonden, met tevens aandacht voor recht en psychologie. De KHT werd zijn geesteskind. Met deze aandacht voor ethiek en sociologie onderscheidde de KHT zich van de handelshogescholen in de koopmanssteden Amsterdam en Rotterdam. Al de hoogleraren aan de KHT waren katholiek (de meesten waren priester) en dat gold ook voor de notabelen in het curatorium. Ook de studenten waren katholiek. Anders dan bij de Katholieke Universiteit Nijmegen hielden de bisschoppen enige afstand, al was feitelijk zonder hun instemming niet veel mogelijk. In tegenstelling tot de andere handelshogescholen in de Amsterdam en Rotterdam ontving de KHT geen rijkssubsidies. Het katholieke bedrijfsleven, diverse congregaties en de gemeente Tilburg zorgden voor de meeste financiën. De KHT werd al snel een succes. Zij leidde de leiders van de industrie met name in het zuiden van Nederland op en ook naoorlogse katholieke ministers en minister-presidenten kwamen uit haar voort of gaven er les, waaronder Norbert Schmelzer, Wim van der Grinten, Carl Romme en Jan de Quay. Cobbenhagen bleef als hoogleraar en bij tijd en wijle als rector magnificus tot aan zijn dood aan de KHT verbonden. Hij groeide uit tot de geestelijke vader van de studenten aan de KHT. De aan de KHT verbonden studentenvereniging St. Olof droeg aanvankelijk een sterk katholiek karakter met een priester als toeziende “moderator”. Cobbenhagen en de moderator waakten ervoor dat de studenten zich niet lieten verleiden door het in de jaren twintig en dertig opkomende fascisme, dat evenals de katholieke sociale leer (die nieuw elan kreeg met de encycliek Quadragesimo Anno uit 1931) voor een andere maatschappelijke en economische ordening pleitte. Na de Duitse inval werd de druk op de universiteit opgevoerd met niet-joodverklaringen die studenten en professoren moesten afleggen (al studeerde er geen jood aan de KHT), en de dreigende “Arbeitseinsatz” van studenten in Duitsland. De aartsbisschop, mgr De Jong, maande eenieder om niet met de Duitsers mee te werken. Dit leidde tot arrestaties. Ook Cobbenhagen werd in 1941 gearresteerd en kwam als gijzelaar in het kamp Vught terecht. De KHT werd door de Duitsers, net als de andere universiteiten en hogescholen, niet veel later lamgelegd.

Na de Tweede Wereldoorlog hervatte Cobbenhagen zijn werk als rector-magnificus aan de KHT. Op basis van zijn oude blauwdruk werd de universiteit uitgebouwd. De religieuze vorming van het almaar groeiende aantal studenten werd voor Cobbenhagen en de moderatoren steeds lastiger. Er waren nog wel studenten die lid werden van de Mariacongregaties en de Missiestudieclub of die deelnamen aan de jaarlijkse retraite bij de Jezuïeten, maar het heilige vuur uit de tijd van het rijke Roomse leven doofde langzaam. Er kwam in 1953 ook na enig debat een eerste niet-katholieke hoogleraar. De groei werd vooral bekostigd met rijkssubsidies waardoor de katholieke invloed verder afnam. Het plotselinge overlijden in 1954 van Cobbenhagen, die het Christendom en de kerk haar plaats in de wereld had willen geven, vond plaats op een moment dat de maatschappelijke veranderingen en de daaruit voortvloeiende individualisering, die een einde maakte aan het rijke Roomse leven, zich al aandienden. Op zijn graf staan de woorden “Vader van de Tilburgse Hogeschoolgemeenschap”. Hij had aan de wieg van de KHT gestaan en heeft haar als zijn kind volwassen zien worden. Dat de KHT en Universiteit Tilburg vervolgens, zoals kinderen op enig moment doen, haar eigen weg is gegaan, heeft hij niet meer meegemaakt.

Het tweede boek was een oude scriptie uit 1980 van een zekere J.S.K. Nauta, ook uit de ramsj. De scriptie doet verslag van een onderzoek naar antisemitisme bij Nederlandse katholieken in april 1933. De scriptie is, zoals dat toen ging, op een typemachine geschreven en wel onder begeleiding van docent Hans Blom, de voormalige directeur van het NIOD. Geschreven in een hele andere periode dan die van het rijke Roomse leven. 1980 was het jaar van de grote Amsterdamse krakersrellen (“geen woning, geen kroning”), een tijd waarin mensen of instellingen al snel als fascistisch of antisemitisch werden bestempeld en weggezet. Niettemin is de scriptie m.i. gedegen. Het is ook een fascinerend onderwerp. Enkele lezers zullen ongetwijfeld de boog in de Krijtberg boven het altaar kennen met de geblinddoekte synagoge en de triomferende kerk. Het is ook een treurig onderwerp. Het onderzoek richt zich op de periode rond de machtsovername van de Nazi’s in Duitsland in 1933.

Het triomfalisme dat gepaard ging met de oprichting van katholieke universiteiten en de doorbraak van katholieken in politiek, handel en bedrijfsleven vierde hoogtij in de verzuilde maatschappij waarin het wij-en-zij denken centraal stond (katholieken vs. socialisten, katholieken vs. protestanten en ook katholieken vs. joden). Nauta noemt diverse voorbeelden van antisemitische uitingen in katholieke dagbladen (De Tijd, De Maasbode, De Volkskrant, Ons Noorden, Limburgsch Dagblad en De Residentiebode) in de dagen na de boycot in Duitsland in april 1933 door Nazi’s van joodse winkels. Het gaat om voorbeelden van animositeit, zoals relatief onschuldige superioriteitsgevoelens vs. joden in de zin dat het christendom boven het jodendom zou staan.

Minder onschuldig zijn beschuldigingen dat joden Godmoordenaars zijn, minderwaardig van ras, blind voor het evangelie (hetgeen de reden zou zijn voor hun verstrooiing en lot), strevers voor persoonlijk belang naar heerschappij door internationale complotten via communisten, kapitalisten en vrijmetselaars, beheersers van de opinie (waardoor katholiekenvervolging in die tijd in Spanje en Mexico in de pers minder aandacht zouden krijgen dan de vervolging van joden in Duitsland) en meer in algemene zin bedreigers van de samenleving. Soms gaan dergelijke beschuldigingen in de pers gepaard met dreigementen. Wanneer joden de toon gaan aangeven in de pers, dan moeten zij niet opkijken dat een christelijk volk zich daartegen zal verzetten. De Haarlemse katholiek mr. Bomans schrijft dat het onvoorzichtig van de joden is om vier van de zes wethoudersposten in Amsterdam te bezetten. Maar ook wordt gesuggereerd dat als joden antichristelijke opvattingen hebben, ze eraan herinnerd moeten worden dat ze hier niet thuishoren. Het is bepaald niet fraai wat zoal geschreven werd. Het gaat echter meestal om meer versluierde vormen van antisemitisme bij journalisten. Vaak gingen de journalisten ook onkritisch mee met de Duitse nazipropaganda die op grote schaal nepnieuws over joden verspreidde. Zoals het nepnieuws dat van de artsen en advocaten in Berlijn de overgrote meerderheid joods zou zijn. De schrijver van de scriptie noemt het verder een merkwaardig toeval dat de boycot van joden zo ongeveer samenvalt met de opening van het Heilig Jaar in Rome en de passietijd en daarmee met de kwalificatie van joden als Godmoordenaar in de tijd rond Pasen. Hij kan nauwelijks geloven dat dit toeval is en suggereert daarmee dat de Nazi’s bij de Jodenvervolging bewust gebruik hebben gemaakt van katholieke animositeit en vooroordelen over joden. Daardoor verschenen de joden in katholieke kranten (en bij lijdensmeditaties) tegelijkertijd als Godmoordenaars uit de tijd van Christus en als slachtoffers van de Jodenboycot van de nazi’s. Deze suggestie gaat waarschijnlijk te ver omdat hiervoor geen enkel bewijs wordt genoemd.

De scriptie geeft al met al nog eens aan hoe gevaarlijk onterechte vooroordelen zijn en hoe onder andere de pers en de politiek daarvan gebruik maken of zich daardoor laten bedriegen. Daarvan zijn, zoals u weet, dagelijks ook voorbeelden in de kranten van tegenwoordig te vinden. Veel van deze vooroordelen zijn na de Tweede Wereldoorlog verdwenen, zeker ook onder katholieken. Maar het wij-zij denken en de animositeit en superioriteitsgevoelens ten opzichte van anderen blijft wel iets waar we ons wel eens aan overgeven.

Gelukkig zijn er ook veel positieve voorbeelden van de houding van katholieken tegenover joden in de oorlog, zoals dat van de onbekende Noord-Limburgse priester Henri Vullinghs (1883-1945), die in de oorlog zeer veel Amsterdamse joden heeft gered door hen als onderduikers bij zijn parochianen onder te brengen. Een voor een dorpsgemeenschap zeer gewaagde actie. De pastoor was echter niet bang en veroordeelde vanaf de kansel regelmatig de Nazi’s. Hij werd allicht daardoor verraden en overleed korte tijd later in een concentratiekamp, overigens zonder één van zijn onderduikers en parochianen te hebben verraden. Jaren later kwam een door één van zijn Joodse onderduikers, Hans Lachman, voor hem kort na de oorlog gecomponeerd requiem naar boven, een klassiek requiem van voor het Tweede Vaticaans Concilie met een Dies Irae.

Links: de uitvoering van het requiem in 2015 in Grubbenvorst
Rechts: de componist Hans Lachman

Op de zeventigste sterfdag van Vullinghs, twee jaar geleden, beleefde het requiem van Lachman zijn première in de kerk van Grubbenvorst, waar Vullinghs ooit preekte, in aanwezigheid van de kleinzoon van Lachman, die zijn leven aan deze pastoor dankte. De vele gesprekken die Vullinghs en Lachman Sr. (allebei muziekliefhebbers) tijdens de oorlog over het gregoriaans voerden en de kennis die Lachman daarbij opdeed komen in de muziek tot uitdrukking. Ik was met een van onze kerkgangers, na een dollemansrit vanuit Amsterdam, net op tijd om de uitvoering van dit requiem mee te maken en heb sindsdien nog vaak gedacht aan deze man die in zijn onderduikers vooral medemensen zag, ondanks de vooroordelen die in die tijd ten aanzien van joden leefden, en die met hen een vriendschap koesterde op basis van wederzijds respect voor elkaars geloof en cultuur. Hij was daarmee zijn tijd ver vooruit.

Maurice Essers