Katholieke caritas in Amsterdam

Het is nu ongeveer honderd jaar geleden dat de overheid de taken van de katholieke caritas ging overnemen. Dit proces is de afgelopen decennia voltooid, maar met name in de binnenstad zijn er nog veel plaatsen die herinneren aan de ruim 300 jaar van katholieke caritas, die o.a. gericht was op ondersteuning van wezen, armen en bejaarden. De ouderen onder ons die in Amsterdam zijn opgegroeid hebben waarschijnlijk in hun jeugdjaren nog wel de wezen en ouderen gezien die aan hun gestichtkleding herkenbaar waren. De meeste katholieke instellingen die zich met caritas bezighielden bestaan nog wel. Zij richten zich niet meer specifiek op de noden van Amsterdamse katholieken maar financieren in bredere zin goede doelen. Ze hebben zich nog verder losgeweekt van de kerk en zijn in het stadsbeeld amper nog zichtbaar.

RCOAK

Eén van de oudste instellingen van katholieke charitas in Amsterdam is het rooms-katholieke oude armenkantoor (RCOAK). Bij de overgang van Amsterdam naar de reformatie (de alteratie van 1578) werden de toenmalige Amsterdamse charitatieve instellingen door het gereformeerde stadsbestuur overgenomen. De katholieken zagen zich daardoor gedwongen om hun eigen charitatieve instellingen opnieuw op te richten. Het RCOAK speelde een centrale rol in de armenzorg. Gegoede katholieke families zaten vanaf 1600 in het bestuur en parochianen droegen bij aan het werk van het kantoor door hun wekelijkse giften bij collecten en via legaten. Duizenden arme katholieke Amsterdammers kwamen in aanmerking voor de bedeling via het RCOAK. Zij ontvingen (twee)wekelijks hun brood, turf, gort, erwten en wat geld van het Oude Armenkantoor dat gevestigd was aan de Keizersgracht 384, niet ver van de OLV kerk. Ongeveer de helft van de zondagse collecten in de katholieke kerken ging naar dit RCOAK. De andere helft werd verdeeld tussen pastoor, R.C. Maagdenhuis en R.C. Jongensweeshuis (zie hierna).

Boven: het RCOAK.
Thans is op deze plek het hotel The Dylan gevestigd, waar u de ovens van de broodbakkerij voor de katholieke armen nog steeds kunt zien. De armen kwamen overigens niet door de mooie poort die nu toegang tot het hotel geeft, maar via een kleine ingang aan de Prinsengracht

Het RCOAK was tussen 1773 en 1996 gevestigd aan de Keizersgracht, maar houdt nu kantoor in het hofje Liefde is het Fondament, een hofje aan Keizersgracht 334-346 waar sinds 1618 katholieke ouderen tegen een beperkte huurprijs konden wonen. Het RCOAK richt zich nog steeds op projecten die de kwaliteit van leven van ouderen bevorderen. RCOAK bezit ook het Lindenhofje in de Jordaan waar sinds medio 2004 een hospice gevestigd is voor kinderen met een levensbedreigende ziekte.

R.C. Maagdenhuis en het R.C. Jongensweeshuis

Nog ouder dan het RCOAK is het R.C. Maagdenhuis, het weeshuis voor katholieke meisjes dat kort voor de alteratie werd opgericht. Bekend als Het Maagdenhuis is nu nog het gebouw aan het Spui, waar het weeshuis tussen 1787 en 1953 gevestigd was. Het Maagdenhuis wordt nu door de Universiteit van Amsterdam gebruikt. In 1664 kreeg Amsterdam ook een katholiek jongensweeshuis, dat van 1686 tot 1955 aan de Lauriergracht gevestigd was. De schuilkerk van dat weeshuis is nu als theater in gebruik. Deze beide weeshuizen werden evenals het RCOAK bestuurd door een regentencollege. De Zusters van de Liefde uit Tilburg (Maagdenhuis) en de Arme zusters van het Goddelijk Kind (Jongensweeshuis) namen de feitelijke zorg voor de wezen op zich.

Links: in 1913 werd op de binnenplaats van het R.C. Jongensweeshuis door jongens van het weeshuis (links) en meisjes van het Maagdenhuis (rechts) een zanghulde gebracht aan kardinaal Van Rossum.
Rechts: eetzaal van het Maagdenhuis

De katholieke instellingen hebben een rijk kunstbezit. Daartoe behoren diverse schilderijen van de katholieke Amsterdammer Jacob de Wit (1695-1754): Het Penningsken van de Weduwe van De Wit geeft een interessant inzicht in de katholieke charitas. Ik ontleen de volgende alinea aan de uitleg bij dit schilderij door Jurjen Vis in zijn boek “Liefde het Fundament”: de jongen rechts die een zilveren muntstuk in het kistje doet is een verpersoonlijking van de vrijgevigheid. In het ronde medaillon zijn Christus en de weduwe te zien uit het evangelie van Marcus (Marcus 12: 41-44), die een penning doneert. In Het Penningske van de Weduwe gaat het niet om de ondersteuning van de arme weduwe, maar om de goede gave die zij zelf opbrengt uit haar eigen geringe middelen. De gave van de weduwe was in Gods ogen meer waard dan alle gaven van de anderen bij elkaar. De Wit verbeeldt twee soorten vrijgevigheid buiten het medaillon. Rechts het zilver van de machtigen: openlijk, zeker van zichzelf, omvangrijk en niet zonder borstklopperij. Links het kopergeld van de nederigen: gering, nietswaardig en nauwelijks zichtbaar. Rechts achter het medaillon de engelachtige jongeling – de blik ten hemel gericht – die met zijn linkerhand een blinkende, zilveren munt in het offerblok laat vallen.

Naast het blok ligt een goed gevulde geldzak; er wordt blijkbaar zoveel gegeven dat het niet eens meer in het offerblok past. Daaronder een stapeltje papieren; testamentaire beschikkingen, legaten. Alles is zichtbaar. Dit is de zijde van de openlijke vrijgevigheid. Aan de linkerzijde, nauwelijks zichtbaar, bevindt zich een tweede gever, maar hem zien we niet, want hij gaat grotendeels verborgen achter het rode gordijn. Het enig zichtbare is een rechterhand die in het halfduister een kopermuntje in een offerblok stort: het equivalent van het penningske van de weduwe. Onder het liggende offerblok – het blok dat niet meer meetelt, als ware het de verworpen gift – een paar vaalgrijze papieren, onder het stof, besmeurd en gescheurd. Waardepapieren die zijn verlopen. Op het staande blok links ziet men met moeite ‘Gedenkt den Armen’ en daarboven is nog een andere verwijzing te lezen: ‘Math. vivs. iii’ (Mattheus 6vers 3), een passage uit de Bergrede. In de Bergrede, aan het begin van zijn optreden, ontvouwt Jezus zijn radicale visie op mens en maatschappij (Mattheus 5-7): (1) ‘Let op dat jullie de gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van de mensen, alleen om door hen gezien te worden. Dan beloont jullie Vader in de hemel je niet. (2) Dus wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. (3) Maar als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet. (4) Zo blijft je aalmoes in het verborgene, en jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.’Feit is dat de linkerhand zilvergeld geeft en de rechterhand kopergeld. Die linkerhand moet zich uiteraard niets aantrekken van wat de rechterhand doet en vooral zilver blijven storten. Dit zou dan toch een aansporing zijn voor de gulle, kapitaalkrachtige gevers, maar het zou al te plat zijn om daarmee het kopergeld en de kleine gift te verwerpen. Bij alle collecten zijn de kleine beetjes altijd in de meerderheid. Het kopergeld, hoe bescheiden ook, was afkomstig van de hele

katholieke bevolking van Amsterdam die op deze wijze haar betrokkenheid liet blijken. Het paneel van De Wit bevat dus niet één boodschap, maar twee: enerzijds het penningske en anderzijds de niet-wetende linker- en rechterhand. De milde les aan het einde van Jezus’ publieke optreden en de radicale aansporing aan het begin van zijn werkzaamheid in één schilderij verenigd.

Links: Maagdenhuis: “de werken der Barmhartigheid, of de Zorg voor de Weesmeisjes”. Schoorsteenstuk, gesigneerd en gedateerd 1738.
Rechts: RCOAK, “Het Penningske van de Weduwe”

St. Jacob en St. Bernardus

Links: St. Bernardus aan de Marnixstraat
Rechts: St. Jacob aan de Plantage Middenlaan

De grote Amsterdamse 19e eeuwse katholieke tehuizen voor bejaarden zijn St. Jacob en St. Bernardus. Beide gestichten zijn onlangs (2012 en 2016) gesloopt. Het RCOAK was verantwoordelijk voor de bouw van St. Jacob (de Roomse burcht) aan de Plantage Middenlaan. De bouw werd gefinancierd door Van Brienen, destijds misschien wel de rijkste Nederlander. Het werd het grootste katholieke bejaardenhuis van Nederland. De hiervoor al genoemde Zusters van Tilburg zorgden in beide tehuizen jarenlang voor de katholieke bejaarden van de stad. Zij verzorgden hun maaltijden, regelden het leven in huis en gaven leiding aan de huisarbeid van de mannen en vrouwen. Ook de verpleging van zieken en stervenden namen zij op zich. Mannen en vrouwen waren in aparte afdelingen strikt gescheiden. Het gebouw was daartoe op alle verdiepingen consequent in tweeën gesplitst. De kapel was de enige plaats waar mannen en vrouwen elkaar konden zien, maar ook daar was er een vrouwen- en een mannenzijde en in het midden zaten de zusters. De ongeveer 60 zusters die in de Tweede Wereldoorlog in St. Jacob werkten moesten meer dan 600 bewoners verzorgen. Dat dit niet altijd gemakkelijk was blijkt wel uit het broodoproer tijdens de Eerste Wereldoorlog. Lastige mannelijke bewoners kwamen in deze tijd van rantsoenering in opstand tegen moeder-overste en de zusters. Er werd geklaagd dat er te weinig brood was (ook al waren er ’s middags stamppotten met vlees of vis). De mannen werden een voor een bij de regenten ontboden. Een van hen werd zelfs door de politie afgevoerd. De verpleegden werden aldus als stoute kinderen behandeld, maar de orde werd zo wel hersteld. Dit incident was een uitzondering. Over het algemeen was de behandeling van de ouderen in St. Jacob en in St. Bernardus goed. Het nieuwe Bernardus uit 1915 aan de Marnixstraat/ Nieuwe Passeerdersstraat was de opvolger van het gesticht voor oude mannen en vrouwen uit 1842-1843 aan de Oude Turfmarkt bij het Rokin. Op beide locaties komen nu nieuwe woningen voor ouderen, maar het katholieke karakter, dat o.a. bleek uit de grote kapellen, is in deze tehuizen voorgoed verdwenen.

Vredenburgh en Brentano

Links: Vredenburgh; rechts: Brentano aan de Keizersgracht

Twee minder bekende instellingen voor ouderen zijn Vredenburgh en Brentano. Brentano werd in 1825 aan de Herengracht 595 gesticht voor rooms-katholieke oude mannen. Jozef Brentano (1753-1821) bepaalde dat zijn vermogen moest worden aangewend tot ‘den aanleg en stigting mitsgaders gedurig onderhoud van een gebouw, ’t welk zal moeten dienen tot alimentatie en onderhoud van enige oude manspersonen van de ‘Roomsch Catholieke Religie’ en dat de naam van het huis diende te zijn: Brentano’s Steun des Ouderdoms’. Brentano was een katholieke koopman van Italiaanse afkomst die actief was in de handel met de VOC en WIC.

Hij beschikte over een grote kunstcollectie, waarmee hij zich graag door de schilder Adriaan de Lelie liet portretteren: Een groot deel van zijn kunstcollectie van 400 schilderijen, boeken en rariteiten werd na zijn dood verkocht om Brantano’s Steun des Ouderdoms te realiseren. Voor de inrichting van het gebouw bepaalde Brentano dat daarin een groot portret van De Lelie van hem met een poedel geplaatst diende te worden. In 1926 verhuisde het bejaardenhuis naar de Keizersgracht 617-629 en in 1970 naar Amstelveen. In Amstelveen is in zorgcentrum Klaasje Zevenster nog steeds het portret van Brentano met de poedel te zien.

Het rooms-katholieke oudevrouwenhuis Vredenburgh werd in 1829 op de kop van de Oudezijds Voorburgwal geopend door Theresia Spijker (1794-1839) met hulp van haar oom Johannes Loohuys (1766-1835), die als melkboer en kruidenier in de Warmoesstraat een bescheiden vermogen had vergaard. Halverwege de 19de eeuw hadden zo’n veertig vrouwen onderdak gevonden in het kleinschalige Vredenburgh. Om op de wachtlijst te komen moesten ze o.a. een briefje van hun pastoor kunnen overleggen waarin hun christelijke levenswandel werd bevestigd en waarin werd bevestigd dat zij niet in staat waren om zichzelf te onderhouden. In 1977 werd Vredenburgh gesloten. Enkele jaren later werd met steun en advies van Stichting R.C. Het Maagdenhuis op de Postjesweg een ‘Nieuw Vredenburgh’ geopend. De Stichting Vredenburgh, die nog steeds de nalatenschap van Theresia Spijker beheert, steunt sinds de jaren negentig, in samenwerking met Het Maagdenhuis, goede doelen voor ouderenzorg.

Slot

Dat de overheid de caritas van de kerk heeft overgenomen, zullen waarschijnlijk weinig katholieken betreuren. Het vernederende briefje van de pastoor is niet meer nodig om toegang te krijgen tot voorzieningen en ook aan de soms stiefmoederlijke behandeling van de mensen door regenten en zusters kwam een einde. De congregaties zijn zo goed als verdwenen uit het openbare leven en de regenten richten zich tegenwoordig vaak mede op andere goede doelen. Of de mensen het daardoor echt beter hebben gekregen is echter maar de vraag. De klachten over verpleeghuizen zijn luider dan ooit en ook in de jeugdzorg zijn er veel klachten (na de overgang van de jeugdzorg naar gemeenten). De solidariteit van de gemeenschap met behoeftigen is met het vervangen van de katholieke caritas door de sociale verzorgingsstaat afgenomen. Het mooie van de katholieke caritas als in dit stuk beschreven is dat de armen de armen van de gemeenschap waren en daarmee waren zij ieders zorg: ‘de armen zijn immers altijd bij jullie’ (Johannes 12:8). Dit doet denken aan de katholieke sociale leer en zijn subsidiariteitsbeginsel. Op grond van dat beginsel moet de overheid slechts initiatieven nemen daar waar individuen en private organisaties niet in staat blijken de problemen zelfstandig op te lossen. Nu de overheid in het sociale domein steeds meer terugtreedt en haar zorg aan steeds meer kritiek onderhevig is, wordt het misschien tijd om ons te bezinnen op dit subsidiariteitsbeginsel en de goede aspecten van de katholieke caritas en om te zien of een katholieke caritas (met steun van de overheid) niet een beetje gereanimeerd moet worden.

Maurice Essers