Rafels aan de Rechtsstaat

Vorige maand is het boek “Rafels aan de Rechtsstaat” van Ferdinand Grapperhaus verschenen. Het boek gaat over hoe we in Nederland een op gelijkheid, vrijheid en rechtvaardigheid gebaseerde samenleving kunnen handhaven. Zeker in een periode waarin een nieuw kabinet geformeerd wordt dat een meer liberale tint kan krijgen (VVD, CDA, D66 en Groen Links) of een meer sociale, christelijke (VVD, CDA, D66 en CU) is die vraag actueel. Grapperhaus antwoord is dat de overheid een rechtsstaat moet waarborgen, zodat iedereen zonder onderscheid op een rechtvaardige manier aan de samenleving kan meedoen: gelijkheid, vrijheid en rechtvaardigheid voor iedereen.

Links: de slums in Kolkata, de stad waar moeder Teresa (rechts) jarenlang in de slums voor de rechtelozen opkwam

De rechtsstaat
Om aan te geven dat de rechtsstaat niet vanzelfsprekend is, begint hij het boek met zijn ervaringen in de Indiase miljoenenstad Kolkata (vroeger: Calcutta), waar grote groepen van rechtelozen de krottenwijken (slums) van de stad bevolken. Het Hindoeïstische kastenstelsel belemmert elke poging om hogerop te komen. Anders dan in de rechtsstaat heeft in India niet iedereen bij de geboorte aanspraak op dezelfde kansen. Gelijkwaardigheid ontbreekt daardoor. Gedurende het leven wordt deze onrechtvaardigheid niet door de overheid gecorrigeerd. Er is geen toegang tot gelijke kansen. Grapperhaus vraagt zich af hoe dit alles in de Nederlandse samenleving zit. Op het eerste gezicht is er wel een rechtsstaat, maar hij signaleert dat Nederland ook een groep mensen kent die over de hele linie achterblijven: lage opleiding, geen vermogen, achterstelling in gezondheid, wonen en inkomen en geen volwaardige deelname aan de maatschappij. Deze groep van ongeveer 15% van de bevolking lijkt op wat paus Franciscus de uitgeslotenen noemt. Daarnaast is er in Nederland een groep van 15% van de bevolking uit de middenklasse die in onzekerheid verkeert en haar positie dreigt te verliezen. De positie van deze groepen leidt ertoe dat onze rechtsstaat in gevaar is. Een dergelijke rechtsstaat waarin sprake is van toenemende ongelijkheid noemt Grapperhaus “gerafeld”.
De kloof
De kloof tussen de uitgeslotenen en de rest van de Nederlandse samenleving wordt groter. De inkomensverschillen zijn de laatste jaren toegenomen. Onze moderne economie vergt steeds meer bijzondere kennis en vaardigheden die steeds hoger beloond worden. Mensen kiezen bovendien hun partner uit een vergelijkbare groep qua sociaal-economische achtergrond en opleiding, waardoor de kansen om hogerop te komen er ook niet beter op worden. Het internetdaten voor hoger opgeleiden heeft daar een nieuwe impuls aan gegeven. Verder geldt dat de publieke zorg wordt uitgehold en dat het hoger onderwijs op den duur alleen betaalbaar wordt voor kinderen uit de bemiddelde bovenlaag. Het idee van eigen bijdragen voor toegang tot zorg, rechtspraak en andere publieke voorzieningen vergroot ongelijkheid en is Grapperhaus een doorn in het oog. Het onderwijs biedt ook niet meer de kansen die het voorheen bood. Grapperhaus vermeldt dat binnen de welvarende Amsterdamse ring scholen hun vmbo-afdelingen of zelfs de havo afstoten. Omgekeerd zien Amsterdamse scholen buiten de ring hun schaarse VWO-leerlingen weggelokt worden door witte scholen uit de rijke buurten binnen de ring, waardoor de VWO-afdelingen buiten de ring onder druk staan. Mondige hoogopgeleide ouders maken gebruik van het ontbreken van overheidsbeleid om hun kinderen op de betere scholen (categorale vwo-scholen of gymnasia) te krijgen. De doorstroom van kinderen van laagopgeleide ouders naar het VWO stokt derhalve zodat in het onderwijs volgens Grapperhaus geen sprake meer is van gelijke kansen. Dit alles leidt tot wantrouwen en populisme. De formatie van een nieuw kabinet is in dit opzicht niet neutraal. Een coalitie van VVD, D66, Groen Links en CDA zou een coalitie van de hoogopgeleide kiezers zijn, zo bleek uit een onderzoek van de Volkskrant . Van de hoogopgeleiden heeft 62% op die partijen gestemd; van de laagopgeleiden slechts 28%. Gaat een dergelijke coalitie, die veel waarde hecht aan goed onderwijs, de kloof dichten of is dat meer iets voor een meer sociaal- christelijk georiënteerde coalitie, die dichter bij een doorsnee van de maatschappij staat?
Migratie en assimilatie
Grapperhaus pakt ook thema’s van de verkiezingen in maart op, zoals identiteit, migratie en Islam. Bij een rechtsstaat hoort bijvoorbeeld dat geen onderscheid wordt gemaakt op basis van ras, afkomst. Ook nieuwkomers (migranten) moeten aanspraak kunnen maken op gelijke kansen, maar moeten zich wel verbinden aan de cultuur van de samenleving waar zij binnentreden. Ze kunnen aan die cultuur ook nieuwe elementen toevoegen (assimilatie). Zo is Grapperhaus’s vader afkomstig van een Duitse katholieke familie waar niet Eerste Kerstdag maar Heiligenabend het hoogtepunt van Kerst is. Er ontstond het compromis dat zijn vader zich in de Nederlandse Sinterklaastraditie moest voegen en dat zijn Amsterdamse moeder Heiligenabend overnam. De Nederlandse cultuur is in feite steeds in verandering geweest en in dat perspectief plaatst hij ook de Zwarte Pietdiscussie.

Links: de Notre-Dame de la Garde in Marseille
Rechts: de Mammoetwet introduceerde in 1968 scholengemeenschappen waardoor leerlingen beter konden doorstromen en meer keuzevrijheid hadden

Dat met name islamitische gastarbeiders jarenlang onvoldoende zijn aangesproken op het assimileren met de Nederlandse cultuur en waarden beschouwt Grapperhaus als een gemiste kans. Het haat prediken door de fundamentalistische islam ziet hij als een gevaarlijke splijtzam van de samenleving omdat daardoor de gelijkheid onder druk komt . De fundamentalistische islam kent geen gelijkheid van man en vrouw, geen gelijkheid ongeacht seksuele gerichtheid, geen gelijkheid voor andere groepen, zoals joden, en meer in algemene zin geen gelijkheid voor ongelovigen. De overheid dient volgens Grapperhaus krachtig op te treden tegen religieus fanatisme en moet etnische groepen aanspreken op hun verplichting om mee te werken aan assimilatie. Ook de vereenzelviging met gebeurtenissen in het land van herkomst, zoal bij Erdogan-aanhangers, keurt Grapperhaus af, evenals acties van autochtone bevolkingsgronden die assimilatie en noodopvang van asielzoekers saboteren. Het optreden daartegen van de overheid noemt hij wankelmoedig.

De gemeenschap
Als voorbeeld van gemeenschapszin noemt Grapperhaus de Notre-Dame de la Garde, een basiliek in Marseille, die in de 19e eeuw door gelovigen gefinancierd is en iedereen (arm en rijk) naar vermogen meedeed. Van de Amsterdamse katholieke kerken uit die periode, waaronder onze OLV kerk, kan hetzelfde gezegd worden. Die traditionele gemeenschapszin is er echter niet meer. Het idee dat vakbonden en coöperaties voor solidariteit moeten zorgen is verdwenen. De kleinere gemeenschaps-verbanden, waaronder kerken, krijgen steeds minder betekenis of vallen weg. De groepen zonderen zich steeds meer af en de onderlinge solidariteit tussen delen van de bevolkingsgroepen is tot het nulpunt gedaald. Multinationals profiteren van de geboden vrijheid en onttrekken zich aan maatschappelijke verantwoordelijkheid. Grapperhaus pleit voor een herstel van de kleine verbanden.
De overheid en de wetten
De overheid heeft als functie om op basis van gelijkheid voor ieder een menswaardig bestaan te garanderen. De Algemene Bijstandswet uit 1962 is daarvoor de basis. In het onderwijs kwamen er moet de Mammoetwet betere kansen. De eigen bijdragen en het risico dat hoger opgeleiden zich kunnen inkopen op onbeperkte vrijheid bedreigen echter de gelijke kansen en leiden tot ontwrichting van de samenleving. Elke groep komt dan alleen maar voor zichzelf op en steeds meer groepen hebben hun eigen politieke partij. De overheid moet volgens Grapperhaus niet terugtreden. Zij moet met wetten de rechtsstaat beschermen. Zij moet zorgen voor een rechtvaardige samenleving waarin vrijheid, gelijkheid en broederschap in evenwicht blijven en ervoor zorgen dat de elite en de multinationals zich niet kunnen onttrekken aan solidariteit. Zonder wetten zouden alleen de sterksten overleven en zou de samenleving uiteenvallen. De wetten stellen grenzen aan de vrijheid, die in onze geëmancipeerde maatschappij is doorgeschoten ten koste van de kansen van een grote bevolkingsgroep. Een samenleving waarin een grote groep van 15-30% onvoldoende kans heeft om mee te delen in de vooruitgang, verliest volgens Grapperhaus haar bestaansmogelijkheid.

Maurice Essers