Over geestelijke maagden, klopjes en kwezels

In de moeilijke tijden die de kerk heeft gekend waren het vaak vrouwen die door hun zuiverheid als moeder, echtgenote of gelovige en door hun inzet en organisatievermogen een beslissende rol gespeeld hebben. Deze maand gedenken we op 21 januari de H. Agnes. Zij is één van de vrouwen waaraan de kerk door een voorbeeld van zuiverheid veel te danken heeft. De H. Agnes leefde in de 3e eeuw in Rome. Dat was de tijd van scherpe vervolging van christenen en van christenmartelaren, waaronder Agnes. Agnes wilde op haar dertiende als maagd aan haar geloof in Christus trouw blijven. Volgens de legende werd zij eerst in een bordeel gezet, maar haar naaktheid werd bedekt door snel groeiend hoofdhaar. Uiteindelijk werd ze om het leven gebracht met het zwaard. Boven haar graf in Rome werd in de 4e eeuw de Sant'Agnese fuori le Mura gebouwd.

De naam Agnes komt van het Griekse hagne, dat zuiver of kuis betekent. H. Agnes is dan ook de beschermheilige van verloofde paren, kuisheid, jonge meisjes en maagden en slachtoffers van verkrachting. “Agnes” lijkt op het Latijnse woord voor lam (agnus), wat weer de basis werd van de oude katholieke traditie van het pallium. Het pallium is een witte wollen band met zwarte kruisjes, die verwijzen naar de wonden van Christus op het kruis. Op de feestdag van H. Agnes zegent de paus twee lammetjes die zorgen voor de wol waar pallia van gemaakt worden. Deze pallia worden door de paus op 29 juni (H. Petrus en H. Paulus) opgelegd aan nieuwe aartsbisschoppen. Het pallium wordt door hen om de schouders gedragen, net als het lammetje dat door de Goede Herder gedragen wordt. Ook de paus wordt het pallium omgelegd tijdens de pausmis aan het begin van zijn pontificaat. Daarbij worden de volgende woorden gesproken: “Gezegend zij God, die U heeft uitgekozen tot herder van geheel de kerk en die om u heen legt de witte stool van uw apostolisch dienstwerk”.

Agnes behoort met Felicitas, Perpetua, Agatha, Lucia, Cecilia en Anastasia tot de maagd-martelares-sen die worden genoemd in het Eucharistisch gebed. Toen in de Late Middeleeuwen in Amsterdam veel vrouwenkloosters werden gesticht, kregen deze kloosters vaak de namen van deze maagdelijke heiligen uit de tijd van Agnes. Zo kende Amsterdam het naar Agnes genoemde Agnietenklooster. Dit klooster werd na de reformatie de basis van de Latijnse school en daarmee van de Universiteit van Amsterdam (met Vossius en Barleaus als eerste hoogleraren).

Links: vaak wordt de H. Agnes met een lam afgebeeld.
Midden: aartsbisschop met het pallium. De pallia zijn al te zien op de mozaïeken uit de eerste eeuwen in Rome, Constantinopel en Ravenna.
Rechts: paus Franciscus zegent het lam op 21 januari. Om de zuiverheid te symboliseren, draagt een van de lammeren bij de zegening door de paus een kroon van witte bloemen. Het andere lam draagt rode bloemen als herinnering aan de trouwe getuigenis van de H. Agnes tot in de dood.

Zo zong Vondel: “Sint Agnes school betaamt door Baerle en Vossius de koopstad te stofferen, met wijsheid die de jeugd het Athene placht te leren”.Andere Amsterdamse vrouwenkloosters werden in die tijd genoemd naar de H. Cecilia, H. Catharina, H. Margaretha, H. Barbara, H. Ursula en H. Lucia. Veel namen van stegen in de binnenstad van Amsterdam herinneren nog aan de vrouwenkloosters die onze stad in de Middeleeuwen kende.

Links: het Agnietenklooster.
Midden: de Agnietenkapel gebruikt door de Amsterdamse universiteit
Rechts: het Ceciliaklooster

Met de reformatie brak een moeilijke tijd aan voor de katholieken in Amsterdam. De kerken en kloosters werden gesloten en de katholieke kerkelijke organisatie werd verboden. Waar in de eerste eeuwen de geloofsgetuigenis van de genoemde martelaren de kerk had gesterkt, was het in de reformatie de inzet van hun 17e- eeuwse opvolgers, de klopjes die de kerk redde. Klopjes (of kwezels) waren vrouwen die geen kloosterlijke beloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede aflegden, maar particuliere beloften aan hun biechtvader. Meestal beperkten zij zich tot de belofte van zuiverheid. Ze behielden hun vermogen, maar leefden in soberheid en in een geest van armoede. Net zomin als op de begijnen kon de reformatie op deze leken vat krijgen. De klopjes leefden verspreid in Amsterdam, bij hun ouders of familieleden, later ook in hofjes. Ze stelden hun vermogen onder andere via legaten ter beschikking van de katholieke schuilkerken. Zo brachten de klopjes in 1656 6.000 gulden bijeen voor De Krijtberg (tegenover 4.000 gulden van de overige kerkgangers). Ze verborgen priesters in hun woningen en stonden hen bij in de verspreiding van het geloof. Ze schonken kostbare voorwerpen of maakten kerkelijke gewaden voor de statie of parochie. Ze gaven ook (godsdienst)onderwijs aan jongeren. Zo waarborgden zij de overleving van het katholicisme in onze stad. De priesters vergeleken deze geestelijke maagden niet voor niets met de maagden uit de eerste eeuwen van het christendom. Hun opoffering was groot. Ze werden door de priesters de bloem van de kerk genoemd.

Buiten Amsterdam woonden klopjes ook wel in kloosterachtige gemeenschappen, zoals in De Hoek in Haarlem. In de tijd van vervolging waren ze daardoor een gemakkelijk doelwit. Ze kregen te maken met invallen van de schout, die misgewaden en kerkbenodigdheden in beslag nam. Tegen de klopjes zelf kon de schout niet goed optreden omdat ze leken waren. Dat werd echter anders na het Twaalfjarig Bestand. In 1639 kwam er een verbod voor klopjes om catechismus te geven of om “anderen in hun godsdienstige gevoelens te verontrusten”. Een jaar later kwam er een verbod om met meer dan 2 klopjes samen te wonen. In de tweede helft van de 17e eeuw namen de vervolgingen weer af en konden de klopjes een geregeld leven gaan leiden. Uit oude regelboekjes weten we dat de Haarlemse klopjes in De Hoek rond een uur of 5 opstonden. In de kapel konden ze dan de getijden bidden of mediteren. Om zeven uur volgde de eerste H. Mis. Daarna gingen ze aan het werk, want ze moesten voor hun eigen levensonderhoud zorgen. De klopjes in Haarlem werkten bijvoorbeeld aan het spinnenwiel en bereiden hosties.

Enkele portretten van klopjes.
Rechts: Amsterdams laatste klopje (kloppie Leentje)

Ook werd gewaakt bij doden en werd onderwijs gegeven en voor de armen gezorgd. In Amsterdam hadden klopjes in de Warmoesstraat “De Vergulde Passer”, een winkel in religieuze voorwerpen. Na het middagmaal trokken ze zich terug voor gebed, gewetensonderzoek en ontspanning. Daarna volgden vespers, lof en completen. Na het avondmaal volgde weer een tijd van ontspanning, waarna ieder naar haar eigen kamer ging. De klopjes kleedden zich eenvoudig in het zwart met om de hals een witte kraag (bef), waardoor ze op straat als klopje herkenbaar waren.

In de 19e eeuw kwam er een grotere vrijheid voor katholieken in Amsterdam en werden actieve kloostercongregaties toegestaan. Vrouwen die hun leven aan zorg of onderwijs wilden wijden, traden voortaan in die congregaties in, zodat de klopjes langzaam uit het Amsterdamse straatbeeld verdwenen. Leentje van den Berg was aan het einde van de 19e eeuw het laatste Amsterdamse klopje. Over haar schreef Alberdingk Thijm: “Ja, zij was allerliefst – met haar net kostuum: zwart laken en wit gesteven katoen, neteldoek en gaas voor halsdoek, manchetten, boezelaar en gepijpt mutsjen. Gij hadt haar gang en handgebaar moeten zien, als zij, in het eerste tijdperk van haar carriere, door de kerk trippelde en voor het autaar knielde, in dat oogenblik niet met de vroomheid ener ‘devota’, maar met de kordaatheid van een kosteres, om eenig goud-en-zijden ornament voor het antipendium te spelden! Geen wonder, dat ze met dat jente keursjen, die schitterende oogjens, dat oprechte voorhoofd, nog blanker door het zwarte klopjens-tipjen, die fijne handen, waar een gouden ring aan blonk, en dat zilveren kruisje op den hagelwitten halsdoek, als het mooye klopje werd aangeduid. Zij kwam uit het Maagdenhuis. Zij kon van alles: handig naayen, breyen, stoppen en mazen; zij kon ook zingen, met nadruk voorlezen en voor leerares spelen. Dat heeft ze dan ook jaren gedaan. Zij vond er meer voldoening in schoolbengels, als de tijdgenoten van den ondergeteekende, den Roomschen Katechismus te leeren…, dan te luisteren naar de praatjens der jeunesse dorée van die tijd, haar (met waarheid toch) influisterende, dat zij het mooiste weeskind der hoofdstad was.” Leentje had echter zo haar principes. Toen de pastoor van de Franse Kerk (indertijd aan de N.Z. Voorburgwal bij het Spui) een aanmerking op haar maakte, nam ze – als zelfstandige Amsterdamse – meteen haar ontslag waarna “kloppie Leentje” (met de vrijheid die klopjes en begijnen eigen was) intrad als novice der Derde Dominicaanse Orde bij de Thomas van Aquinokerk (ofwel Het Torentje) aan het Singel. Kloppie Leentje bleef echter ook daarna het zwart van de klopjes dragen tot ze in 1872 overleed, waarna ze in het wit werd begraven (zo weten we uit een gedicht van Alberdingk Thijm bij haar overlijden): “Zij redde mee de Roomsche vlag; zij, laatste van de Garde! Zij leefde in het zwart en stierf in het wit, bleef God en mensen dienen. Nu staat dit klopje in het gelid naast Thomas van Aquinen.”

Inmiddels zijn uit het Amsterdamse straatbeeld niet alleen de klopjes maar ook de begijnen en de zusters van de kloostercongregaties (zo goed als) verdwenen. Maar in het Begijnhof, de katholieke hofjes van de binnenstad en vrouwenhuizen elders in de stad wonen opvolgsters van de H. Agnes. Vrouwen, die zich door haar zuiverheid laten inspireren en die met hun inzet en hun steun aan priesters, kerk en parochie het katholieke hart van de oude binnenstad laten kloppen. Zij zijn er ook in onze kerk aan de Keizersgracht, waar hun toewijding (zonder dat ze het misschien beseffen) een voorbeeld is voor allen.

Maurice Essers