Een zomer op pad met Saint Jacques en Saint Eloy

Saint Jacques

De camino, de pelgrimsweg naar Santiago de Compostella, staat tegenwoordig voor veel pelgrims voor bevrijding. Bevrijding bijvoorbeeld van verplichtingen van een drukke baan en van de eisen die de moderne maatschappij stelt. Even terug naar de Middeleeuwen, toen de gemeenschapszin nog voorop stond. De pelgrim onderweg naar Compostella krijgt brood, wijn en onderdak en als hij dankbaar is dan bidt hij in Santiago voor degenen die hem gastvrijheid verleenden (of voor hun intenties). Die gastvrijheid is er nog steeds, zo las ik vorige week in de krant in een verslag van een reis van een zekere Noud Dirks (66) vanuit Nederland te paard naar Istanbul: “We reisden door gebieden waar mensen niets hadden, maar ze heetten ons van harte welkom en droegen karren vol hooi aan voor het paard. De meeste gezichten op mijn foto’s herinner ik me als de dag van gisteren”, meldt Noud. Ja, de gastvrijheid is er nog in arme streken, maar ook in het land van de rijken? Hoe dit ook zij, ik kwam op de camino doordat een Nederlandse hotelier mij onlangs vertelde dat hij een “refugio” heeft geopend voor pelgrims. Tegen betaling van EUR 5 voor een overnachting kunnen ze bij hem terecht (en voor EUR 2,50 extra krijgen ze een kop pelgrimssoep). De hotelier vraagt hen wel om hem vanuit Santiago een foto te sturen als bewijs van aankomst. Hij ontvangt zo’n 60 van dergelijke foto’s per jaar. Het maakte me nieuwsgierig.

Omdat ik me nog weinig bij de camino kan voorstellen, heb ik deze zomer een kijkje genomen in het Franse Le Puy en Velay, één van de startpunten van de camino. Het boek “Pelgrim zonder God” van de Amsterdamse socioloog Herman Vuijsje over zijn voettocht in 1989 van Santiago de Compostella naar Amsterdam ging mee. Bij aankomst ’s-avonds laat in Le Puy bleek toevallig (?) die dag het naamfeest van St. Jacques te zijn, de apostel van Compostella. Het museum tegenover de kathedraal was om die reden wat langer open, zodat ik gelijk wat meer informatie kreeg over de route van Le Puy naar Santiago. Mijn belangrijkste informatiebron was echter het boek van Vuijsje, die zichzelf een hardwerkend iemand noemt, die altijd lijstjes maakt en ideeën heeft die zo nodig moeten worden uitgewerkt en die van zichzelf vindt dat hij mensen snel in hokjes indeelt. Een beetje onthaasten en ervaren dat het met verschillen tussen zijn soort mensen en andere mensen wel meevalt, kon volgens hem geen kwaad. Het onthaasten lijkt hem te zijn gelukt. Langzaam verdwijnen tijdens het wandelen de gedachten uit zijn hoofd. Ook op het gebied van de mensenkennis worden vorderingen gemaakt. Hij komt, net als Noud, mensen tegen die “normaliter ver buiten zijn gezichtsveld zouden blijven”. Juist dat blijken de mensen te zijn die iets voor hem over hebben of met wie hij bij nadere kennismaking dingen gemeen blijkt te hebben. Ook leert hij te vertrouwen op intuïtie: probeer aan te sluiten bij wat het leven met je voor heeft in plaats van alles naar je hand te willen zetten, zo schrijft hij.

De vraag wat het leven dan met hem voor heeft wordt niet gesteld. Als “pelgrim zonder God”, zoals Vuijsje zich noemt, hoef je je die vraag misschien ook niet te stellen. Toch is er bij hem wel interesse voor het katholicisme. Dat kun je ook moeilijk ontlopen. De grote caminoroutes vanuit Frankrijk naar Santiago zijn in de middeleeuwen bezaaid geraakt met romaanse kerken die met hun beeldhouwwerk de pelgrim bij de les hielden of hem diepere dimensies van het geloof leerden. Kloosters en gasthuizen (voorlopers van onze ziekenhuizen) boden de pelgrims verzorging en bescherming en waren voor de pelgrim belangrijke werken van barmhartigheid. Vuijsje volgt trouw deze route, bezoekt wekelijks de H. Mis en onderkent de waarde van het christelijke erfgoed. Daar blijft het echter bij. De hokjesgeest blijft hem parten spelen. Hij komt naar eigen zeggen uit een Amsterdams sociaaldemocratisch ouderlijk huis, met een joodse vader en een protestantse moeder. Een joodse oom groeide op in de Amsterdamse Transvaalbuurt, toen een joodse arbeidersbuurt met enkele katholieke straten. Volgens die oom waren de katholieke jongens voor de joodse jongens als mannetjes van de maan. Daar werd niet mee gepraat want die wilden alleen maar bekeren. De oom stelde zijn mening bij toen hij in de oorlog bij zijn onderduik in een Limburgs katholiek gezin kwam. Dat bleek erg veel op een joods gezin te lijken. Indruk maakte op die oom vooral, zo schrijft Vuijsje, de moeder die, als het geloof ter sprake kwam, zei dat ieder in zijn eigen geloof zalig moet worden.

Herman Vuijsje zelf bewaart de nodige afstand tot het katholicisme. Het begint er al mee dat hij de camino niet van Amsterdam naar Santiago loopt, maar andersom. Het christelijke erfgoed is voor hem een vertrekpunt dat leidt tot zijn humanistische en sociaaldemocratische levensbeschouwing en dus niet het eindpunt. Zijn bestemming is de Amsterdamse Prins Hendrikkade, waar kort voor zijn vertrek de fundamenten waren blootgelegd van de St. Jacobskapel en die in de Middeleeuwen het vertrekpunt was van de Amsterdamse pelgrims. Daarmee kan van een ware navolging van de Middeleeuwse pelgrims naar het graf van St. Jacques bij Vuijsje geen sprake zijn.

Links: paus Johannes Paulus II tijdens zijn bezoek aan Santiago met de voor pelgrims kenmerkende staf en Jacobsschelp
Midden: beeldje van St, Jacques op de hoek van de Amsterdamse Jacobstraat en de Nieuwezijds Voorburgwal
Rechts: Le Puy en Velay, vertrekpunt van de camino, met zijn kenmerkende Mariabeeld en kerken op hoge spitse rotsen

Zijn recalcitrantie komt ook naar voren in zijn weigering om tijdens de H. Mis te knielen. Van vooringenomenheid is sprake als hij katholieke priesters en religieuzen die hij onderweg tegenkomt (en die hem meestal gastvrij ontvangen) nogal snel van fascistische sympathieën beticht. Hij stelt hen provocerende vragen en bevestigt zo zijn hokjesdenken. Dat neemt niet weg dat ik het boek met interesse heb gelezen. Het is bijvoorbeeld fascinerend om te lezen dat de camino pas na de Tweede Wereldoorlog echt werd herontdekt en pas sinds zo’n 30 jaar weer honderdduizenden pelgrims trekt. Het bezoek aan Santiago van paus Johannes Paulus II (in hetzelfde jaar als de reis van Vuijsje) heeft daar zeker aan bijgedragen. Voor mezelf geldt dat het boek en mijn korte bezoek aan Le Puy (en omgeving) mijn interesse voor de camino heeft vergroot. Het zou mooi zijn een keer in het verre Santiago als pelgrim aan te mogen komen. Als het aan mij ligt liefst per fiets want, zoals Vuijsje, te voet is wel erg afzien...

St. Eloy

Het boek van Vuijsje bracht me verrassend ook bij een andere heilige, St. Eloy (Eligius). Een van de hobby’s van Vuijsje tijdens zijn reis was het neuzen in intentieboeken in kerken. In het Noordfranse Noyon, waar de relieken van de 7e eeuwse bisschop St. Eloy in de kathedraal begraven zijn, merkt hij op dat het boek daar in beslag is genomen door een “schare jongens en meisjes van wie velen elke week naar de kerk komen, hun verhaal van de vorige keer vervolgen en reageren op anderen”. Hun briefjes gaan volgens hem ”zonder uitzondering” over een onderwerp dat “geen specialiteit” is van deze heilige (St Eloy was een goudsmid en werd patroon werd smeden en paarden): “ik wil graag dat het met mijn vriendje heel lang duurt en dat hij gelooft dat ik van hem houd, en ik wens dat hij me als de school begint niet laat vallen om met een ander meisje uit te gaan. Merci.” Verder zouden de intenties gaan over overgaan op school, hulp voor familieleden en het vinden van werk. Het verhaal over deze jongeren deed me denken aan mijn bezoek aan een H. Mis in mijn geboortedorp in Zuid- Limburg aan de vooravond van de sacramentsprocessie daar. Het was de zogenaamde Jonkheidsmis voor de jongeren, die de volgende dag al om 6 uur in de ochtend aan de slag moesten om de route te versieren met triomfbogen en bloemen. De baas (kapitein) van de Jonkheid mag dan na afloop van de H. Mis wat zeggen. Het werd een aandoenlijke speech waarbij de aanhankelijkheid van jongeren en gemeenschap tot de pastoor werd betoond op een eenvoudige eerlijke wijze die deed denken aan de intenties van Noyon. Het mooie is dat St. Eloy patroon van deze dorpskerk is en dat er m.i. dus wel degelijk een overeenkomst is tussen deze aanhankelijkheid en de “specialiteit” van Eloy. St. Eloy weet immers als geen ander gemeenschappen van jong tot oud samen te smeden. Typisch ook dat het Middeleeuwse beeld van Eloy in de tijd van de ruzies onder Nederlandse katholieken in de jaren zeventig het voor gezien hield en slachtoffer werd van een inbraak. Enkele jaren later werd het teruggevonden in Keulen waarna het in processie weer in het dorp werd binnengehaald.

Links:Jonkheid met haar vaandels in de processie
Rechts: de toespraak van de kapitein na de H.Mis

St. Eloy verricht sindsdien weer zijn wonderen, zo leerde ik enkele dagen voordat we naar Le Puy afreisden van een oud-dorpsgenoot. Hij vertelde over het grote feest dat de Sacramentsprocessie is. Voor de nieuwkomers in het dorp is het kapiteinsfeest aan de vooravond van de processie dé gelegenheid om zich aan iedereen voor te stellen en om door mee te lopen met de processie in feite deel te worden van de gemeenschap. Deze gemeenschapszin en de sereniteit van de processie door het mooie landschap en van het gebed en de zang aan de diverse rustaltaren brengen volgens hem ook ongelovigen dichter bij God. Bij het afscheid toonde hij me enkele fotokopieën van een prachtig vaandel uit het begin van de 19e eeuw met schilderingen van de beide patronen van de dorpskerk, St. Eloy en St. Gertrudis, dat op de zolder van de pastorie was gevonden. De jonkheid zamelt nu geld in om het jarenlang opgerolde en ook gescheurde vaandel te laten herstellen zodat het weer in de Sacramentsprocessie kan worden meegedragen. Zo blijft Sacramentsdag met dank aan St. Eloy een feest voor jong en oud. Tot slot aan het einde van de zomervakantie ook een “merci” aan mijn andere reisgezel, St. Jacques, die zich in de moderne tijd evenmin in de mottenballen laat opbergen.

Maurice Essers