De Poverello

Een kleine 20 jaar geleden werkte ik in Brussel en woonde ik daar in een rustige wijk in de bovenstad. In de weekeinden wandelde ik graag de heuvel af, waar ik in de levendige volkswijk St. Gilles kwam. Op het kerkplein was er dan markt. De cafés rondom de markt waren vanaf het middaguur goed gevuld. Mijn favoriete café was de brasserie L’Union, genoemd naar de vermaarde lokale voetbalclub L’Union St. Gilloise, die ooit (voor de Tweede Wereldoorlog) de beste voetbalclub van België was (11x landskampioen!), maar die daarna samen met de wijk, die nu tot de armste van België behoort, snel is afgegleden.

Brasserie L’Union op het Parvis de Saint Gilles in Brussel

Het café trok zowel buurtbewoners en straatmuzikanten als marktbezoekers. Je kon er voor een paar euro een stevige maaltijdsoep of een bord spaghetti krijgen. Een speciale categorie bezoekers waren de “revolutionairen”: anarchisten en communisten van allerlei slag. Als ze niet al te dronken waren, kon je met hen tot vervelens toe over politiek praten. Hun leiders zaten in de Leuvense gevangenis sinds de strijdende tak, de Celles Communistes Combattantes, een paar jaren eerder, door de politie was opgerold. De kerk zelf was gesloten. Onderhoud was al jaren niet gepleegd. De pastoor was een jaar eerder wegens grootschalig kindermisbruik opgepakt en had dit inmiddels bekend. Rond een uur of 5, als de markt werd afgebouwd, werd het druk in het café. Een elektrisch orgeltje werd van stal gehaald met een drumstelletje erbij en dan werd gedanst, zoals ook elders aan het plein, waar bijvoorbeeld de Portugese gastarbeiders hun eigen danscafé hadden. “Les Portugais sont les Portugais et les Belges sont les Belges”, kreeg je te horen wanneer je je per ongeluk in de voordeur vergiste. Ook daar een orgeltje en een accordeon die walsjes speelden. Na afloop van een wals renden de meisjes naar de bankjes om te wachten op wie hen voor de volgende dans zou uitnodigen en de heren renden naar de bar voor een drankje of zochten met hun ogen het bankje af naar kandidates voor de volgende wals. Ook de Spaanse en Griekse gastarbeiders hadden er hun cafés en restaurants. Soms liep het in L’Union uit de hand als alcohol de overhand kreeg. Dan werd er wel eens een klap uitgedeeld en moest iemand uit het café verwijderd worden. Ook herinner ik me nog de keer dat we bij het sluiten van het café werden aangesproken door een vrouw die om “protection pour la nuit” vroeg. Voordat we door hadden dat ze met ons mee naar huis wilde, zodat ze niet in een portiek hoefde te slapen, was ze al weer verdwenen. Ze gaf wel stof tot nadenken terwijl we weer omhoog klauterden naar de veilige bovenstad. De aangrenzende wijken in de benedenstad waren al niet veel beter.

Boven: midden: Jan Vermeir met links en rechts van hem de deur van deze Poverello aan het Vossenplein 4 in Brussel

Molenbeek, nu in de pers als hoofdstad van het terrorisme verketterd, was in die tijd al een wijk waar de politie zich had teruggetrokken en waar de Noordafrikaanse handel in verdovende middelen en gestolen auto’s welig tierde. Richting het centrum kwam je in de Marollen, een oude volkswijk waar de 17e eeuwse stad deels was gesloopt om plaats te maken voor torenflats voor migranten. In de weekenden was het beeld wat vertekend omdat er soms verdwaalde toeristen kwamen, maar achter de gevels ging een zeer grote armoede schuil. Wat ik me nog herinner is de intrigerende zware deur op Vossenplein met daarboven de tekst “poverello”. Er was daar een soort gaarkeuken en kennelijk was er een arm mannetje (een poverello, op z’n Italiaans), die voor de buurtbewoners kookte. Deze deur ben ik nooit binnengegaan, zodat ik me lang heb afgevraagd wie die Poverello wel zou zijn. Sinds mijn bezoek vorige week aan de Franciscus tentoonstelling in museum Het Catharijneconvent Utrecht weet ik wie hij is. Het is St. Franciscus van Assisi, wiens bijnaam de Poverello was, althans zijn volger Jan Vermeir (1919-1998). Wat onderzoek op internet leerde me dat Jan na de Tweede Wereldoorlog bekend was als de eerste seksuoloog van België en dat hij zich na een ontmoeting met Gods barmhartigheid, zoals het op internet wordt genoemd, in de Marollen heeft gevestigd om er voor de armen te leven. Hij opende er in 1976 de gaarkeuken, waar je nog steeds voor EUR 1 kunt eten, en hij heeft er tot op zijn laats te dag met vrijwilligers gewerkt. Een van zijn bekende spreuken is: de Poverello is er niet voor de armen, maar voor de rijken die de kans willen krijgen om te delen. Waarom dit verhaal? Misschien omdat één man die door Gods liefde geraakt wordt samen met enkele metgezellen licht kan brengen in een plaats en tijd waar kerk en maatschappij falen. Eenzelfde voorbeeld is de oprichting van de Sant’Egidio gemeenschap in Antwerpen in 1985 door het echtpaar Hilde Kieboom en Jan de Volder. Dit weer naar het voorbeeld van de in 1968 door de Italiaanse historicus Andrea Riccardi in de Romeinse volkswijk Trastevere opgerichte eerste Sant’Egidio gemeenschap. De leden van die gemeenschap komen samen voor gebed en vriendschap met de armsten van de eigen stad.

Links: de droom van Innocentius (rechts) met Franciscus van Assisi (links) als stut van de Kerk.
Rechts: de strikte naleving van Christus door Franciscus van Assisi met zijn armoede-ideaal en stigmata, waardoor hij een soort Middeleeuwse Christus werd

Sant’Egidio heeft inmiddels wereldwijd 50.000 leden en is vanuit Antwerpen sinds 2014 ook in Amsterdam actief, in de daarvoor weer geopende (voormalig Franciscaanse!) Mozes en Aaronkerk en in de in 2014 opgerichte Vredesschool in de Oosterparkstraat, waar vrijwilligers (net als in Trastevere) kinderen uit arme gezinnen helpen met hun huiswerk. In 2009 kreeg Andrea Riccardi in Aken de Karelsprijs voor de solidariteit van Sant’Egidio met de armsten van de wereld en de inzet voor verzoening tussen volkeren, culturen en religie en voor een vreedzamer en rechtvaardiger wereld. Volgende maand, in mei, wordt diezelfde Karelsprijs, die doorgaans alleen aan regeringsleiders en staatshoofden wordt toegekend, uitgereikt aan een andere volger van St. Franciscus van Assisi, namelijk onze paus Franciscus I. Ook hij laat, zoals bekend, niet na om op te komen voor de armen en voor de (wereld)vrede. En ook hij is een voorbeeld voor allen en zal, zo vermoed ik, als loopjongen van Christus, net als de Poverelli uit Assisi en Brussel, tot zijn laatste dag het evangelie voorleven.

Maurice Essers