Een Amsterdams volksmissionaris herdacht

Bernard Hafkenscheid (12 december 1807 – 2 september 1865)
Toen eind 1813 Napoleon werd verslagen en Nederland zijn vrijheid terugkreeg, brak er voor katholiek Nederland een onzekere periode aan. Zou de kerkelijke organisatie in Nederland van voor de reformatie worden hersteld (zouden er met andere woorden weer bisdommen komen?) of zou de exclusieve positie van de hervormde kerk weer worden bevestigd? De uit Engeland teruggekeerde koning Willem I wilde geen op Rome gerichte organisatie voor de katholieke kerk maar een door de Staat gecontroleerde kerk. Voor de katholieken kwam er daarom een Ministerie van Zaken der Rooms-Katholieke Eredienst. Voor de kloosterordes werden de zogenaamde “uitstervingsbesluiten” gehandhaafd, waardoor zij geen nieuwe leden mochten aannemen. Aanvankelijk werd het seminarie Hageveld bij Velzen nog wel gedoogd voor de opleiding van priesters, maar in 1825 werd in koninklijke besluiten anders beslist. Er kwam een algemeen Collegium philosophicum in Leuven, dat onder streng staatstoezicht zou staan. De andere seminaries, waaronder Hageveld, moesten sluiten.

Links: het kleinseminarie Hageveld (bij Velzen).
Rechts: de familie Hafkenscheid (met uiterst rechts pater Bernhard).

Studietijd in Nederland
Deze gebeurtenis heeft ingrijpende gevolgen gehad voor Bernard Hafkenscheid, in 1825 een 18-jarige student aan het seminarie Hageveld en telg uit een Amsterdamse katholieke koopmansfamilie (zijn vader had een groothandel in schilder- en verfstoffen aan de Nieuwendijk). De katholieke kerk wilde zelf haar priesters vormen en verzette zich tegen een seminarie onder staatstoezicht. De rector van Hageveld, Cornelis van Bommel, weigerde dan ook om het bestuur van het Collegium philosophicum op zich te nemen en ook voor Bernard was een verhuizing naar Leuven geen optie. Samen met een andere Amsterdamse student, Joannes Beelen, zette Hafkenscheid daarom zijn studie drie jaar lang privé in Amsterdam voort onder leiding van een oud-professor van Hageveld. Ook namen ze in Amsterdam les in het Hebreeuws. Hun roeping bleef en ze kozen ervoor om hun studie in het buitenland voort te zetten, ondanks dat dit zou kunnen betekenen dat het hen door de koning verboden zou worden om later in Nederland als priester werkzaam te zijn.

Links: Cornelis van Bommel.
Rechts: Joannes Beelen

Studietijd in Rome
Zo begonnen Hafkenscheid en Beelen in 1828 aan de in die tijd lange tocht naar Rome om daar hun studie in de theologie voort te zetten. Zeven weken waren ze onderweg. Een wereld ging tijdens die tocht voor hen open, o.a. bij de oversteek van de Alpen via de Mont Cenis. Ze beklommen deze alpenreus te voet, vooruitlopend op de met zes paarden bespannen diligence, om van het berglandschap te genieten. Bij de afdaling naar het Italiaanse Susa werden ze door de diligence ingehaald en stapten ze weer in. Drie uren lopen van Rome stapten ze in Lastorta bij de wissel van paarden weer uit. Ze konden namelijk niet wachten tot ze in Rome waren en legden de laatste kilometers te voet af.

Links: het Jezuitencollege (Collegium Romanum) in Rome.
Rechts: de Mont Cenis pas

In Rome meldden de beide studenten zich met aanbevelingsbrieven aan bij mgr. Caprano, de secretaris van de Propaganda Fide. Hij deelde hen mee dat paus Leo XII de Hollandse seminaristen aan het college van de Jezuiten, het Collegium Romanum, hun studie wilde laten voortzetten. Ze kregen een woning aan de Via dell’ Angelo Custode 89, dichtbij dit Collegium Romanum. Aan dit college waren op dat moment maar liefst 2.000 studenten verbonden, waaronder enkele andere Hollanders. De beide onafscheidelijke Amsterdammers (“waar men Hafkenscheid ziet, daar ziet men Beelen en waar men Beelen ziet daar ziet men Hafkenscheid”) trokken veel met hun Hollandse medestudenten op. Toen Hafkenscheid in de eerste jaren van zijn studie in diverse vakken medailles won werd dit bijvoorbeeld door de Hollandse studneten feestelijk gevierd. In die tijd betekende dit dat men met zijn negenen op de kamer van Hafkenscheid Hollandse thee dronk en een Hollandse pijp dampte. Bij de uitreiking van de medailles in Rome was er een extra Amsterdams tintje. De medailles werden namelijk uitgereikt door de generaal der Jezuiten, Joannes Roothaan, die in zijn kindertijd als misdienaar in de Krijtberg op het altaar stond.

Links: Bernard Hafkenscheid als student.
Midden: Joannes Roothaan.
Rechts: pastoor Van der Lugt

De feestvreugde onder de Hollandse studenten in Rome werd nog groter toen kort daarop het tij voor de katholieken in Nederland begon te keren. In 1829 werd de voormalige rector van Hageveld, Cornelis van Bommel, tot bisschop van Luik benoemd. Datzelfde jaar nog werd ook de verplichting om aan het Collegium Philosophicum te studeren opgeheven. Beelen en Hafkenscheid zouden echter hun studie in Rome voltooien. Daar werden ze in 1830 tot subdiaken gewijd en in 1831 tot diaken. In 1832 volgde de priesterwijding.

Opname in de congregatie der Redemptoristen
Na het verblijf in Rome brak het moment van terugkeer naar Amsterdam aan. De verwachting was dat Hafkenscheid daar pastoor van een statie in de Hollandse missie zou worden (Nederland bleef tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 een missiegebied). Maar het zou anders lopen. Hafkenscheid was tijdens zijn studie gefascineerd geraakt door theologie en geschriften van de stichter van de congregatie der Redemptoristen, H. Alfonsus van Liguori. Hafkenscheid koos (met zegen van zijn biechtvader, pastoor Van der Lugt van de Geloof, Hoop en Liefde statie in Amsterdam) voor een leven als Redemptorist. Dat sloeg in Amsterdam in als een bom, want de Redemptoristen waren toen een nog jonge congregatie die buiten de omgeving van Napels nauwelijks bekend was. In Rome zelf waren nog maar 3 Redemptoristen werkzaam. De Redemptoristen waren echter zeer ambitieus. Via H. Clemens Hofbauer was er al een vestiging in Wenen en in 1831 zouden de Redemptoristen ook naar België komen.

Hafkenscheid zou in de congregatie opgenomen worden nadat hij in 1832 zijn doctoraat in de theologie had behaald. Aan Hafkenscheid werd toen gevraagd om zich in Wenen bij de Redemptoristen te melden omdat men vermoedde dat hij als Hollander het Duits snel machtig zou worden. Daar werd Hafkenscheid ontvangen door de opvolger als vicaris-generaal van de provincie aan deze zijde van de Alpen van de in 1820 overleden H. Clemens Hofbauer, pater Passerat. Vanuit Wenen reisde Hafkenscheid via Luik (waar hij mgr Van Bommel bezocht) door naar Amsterdam. Daar zou hij in de Geloof, Hoop en Liefde zijn eerste H. Mis opdragen, geassisteerd door pastoor Van der Lugt en twee vrienden uit Hageveld, Broere en Welters. In Amsterdam kreeg hij vaak te horen waarom hij zich niet ten dienste aan de kerk in Nederland wilde stellen? Hafkenscheid hield echter voet bij stuk. Hij verliet Amsterdam om het noviciaat bij de Redemptoristen in Wenen te doorlopen.

In Wenen leerde hij de tijdens het noviciaat de congregatie beter kennen. Deze door de H. Alfonsus gestichte congregatie van priesters wilde door het geven van missies en geestelijke oefeningen het bekeringswerk van Christus voortzetten. In het klooster wijdde de redemptorist zijn tijd aan studie en gebed of aan zijn taken als priester in de kerk. De dagindeling bestond uit 1½ uur meditatie, gezamenlijk breviergebed, gewetensonderzoek, rozenkransgebed, bezoek bij het Allerheiligste en begroeting van Maria, een half uur dankzegging na de H. Mis en stilzwijgen op vastgestelde tijden. Ook was er een jaarlijkse 10-daagse retraite en een maandelijkse 1-daagse retraite. Een belangrijk deel van het jaar werd echter buiten het klooster besteed aan missies. Tijdens een volksmissie werd in een parochie dagenlang door Redemptoristen gepreekt totdat de emoties hoog oplaaiden en de deelnemers hun zonden massaal biechtten. Aan het einde van de missie werd een missiekruis gepland ter herinnering aan de bijzondere voorafgaande missiedagen.

Eerste periode van volksmissies en priesterretraites
Hafkenscheid zou na zijn noviciaat naar het bisdom Luik gaan, waar mgr Van Bommel in Luik en St. Truiden vestigingen van deze congregatie wenste. In 1834 zou hij vanuit Luik in het kleine plaatsje Thimister (tussen Luik en Aken) zijn eerste missie houden. Deze, zoals hij het noemde, “veldslag” zou 10 dagen duren waarbij aan het einde twaalf biechtvaders van vroeg in de ochtend tot in de nacht moesten doorwerken om biechten te horen. Er zouden nog vele missies in het gebied rond Luik en in Limburg volgen, dat in deze periode van de Belgische Opstand de zijde van België koos. Duizenden katholieken maakten zo kennis met de Redemptoristen en hun volksmissies. Pater Bernard werd er een begrip. Men kon van hem prenten kopen, afgietsels in gips en zijn portret sierde ook pijpenkoppen en snuifdozen. Hij was in staat om tienduizenden toehoorders buiten toe te spreken, zonder de versterking van moderne apparatuur (hij had niet voor niets de bijnamen van Het Kanon en De Klok). De Redemptoristen werden bij hun missies met processies binnengehaald en uitgeleide gedaan.

In deze revolutionaire tijd werden ze echter niet overal met open armen onthaald. Door liberalen werden ze bespot. Soms verbood een burgemeester hun komst en werden ramen van kerken ingegooid. Pater Bernhard liet zich echter niet ontmoedigen. Telkens weer beklom hij de kansel met kruis op zijn brede borst, rozenkrans aan zijn gordel en bonnet in zijn hand. Hij overzag de menigte, streed met preken en gebed de veldslag tegen de zonden die door God tenslotte in de biecht werden overwonnen. Zijn taal was helder, direct en eenvoudig en sprak de mensen aan. Zijn gestalte was indrukwekkend. Zo merkte hij een keer dat de gelovigen in een parochie weinig eerbied hadden en bleven staan bij de consecratie. Dan liep hij bij de Benedictie naar achteren in de kerk waar hij met donderende stem riep: ‘A genoux’ (‘op de knieën!’). De gelovigen knielden en de gewoonte was verdwenen.

Links: het eerste missiekruis dat pater Bernard plantte is nog steeds in Thimister te zien.
Rechts: pater Passerat die hem bij deze eerste missie begeleidde.

Teruggekeerd in het klooster in Wittem kwam hij bij van de uitputtende missies. Daar maakte hij, zoals hij het noemde, al snel weer in studie, meditatie en gebed de “kogels en wapens” gereed voor een volgende missie, een volgende veldslag. Zijn metgezel op deze missies was vaak pater Victor Deschamps, die later kardinaal-aartsbisschop van Mechelen zou worden. Via hem zijn veel verhalen van Bernards missies bewaard gebleven.

Links: pater Bernard als volksmissionaris met rozenkrans en kruis.
Midden: kardinaal Deschamps.
Rechts: H. Clemens Hofbauer

Verblijf in Wittem
Vanaf 1841 was Hafkenscheid voornamelijk verbonden aan het klooster van de Redemptoristen in het Zuid-Limburgse Wittem. In Wittem hadden de Redemptoristen zich in 1836 op uitnodiging van graaf Plettenberg in een oud klooster van Capucijnen gevestigd. De Redemptoristen waren in die omgeving in 1833 terecht gekomen toen zij, onderweg naar Rolduc (om daar een retraite aan seminaristen te geven) in het plaatsje Gulpen overnachtten. De deken van Gulpen nodigde hen toen uit om het volgend jaar in Gulpen een volksmissie te houden. Voor die missie werd de leegstaande Capucijnenkerk in het nabijgelegen (toen nog Belgische) Wittem gekozen. Dit zou (in hetzelfde jaar als Bernards missie in Thimister) de eerste volksmissie van de Redemptoristen in de Benelux worden. Toen Wittem in 1839 Nederlands werd, werden de afstervingsbesluiten op het klooster Wittem van toepassing. Maar al een jaar later werd dit door koning Willem II voor Wittem in een van zijn eerste besluiten ongedaan gemaakt. Ook mochten de Redemptoristen op grond van dit besluit hun missies voortzetten. Pater Bernard reisde daarop af naar Den Haag om de koning namens de Redemptoristen van Wittem te bedanken. Een jaar later volgde een koninklijk tegenbezoek aan Wittem, waarbij de koning door pater Bernard werd ontvangen.

Tot aan het einde van zijn leven bleef Bernard Hafkenscheid aan Wittem verbonden. Daar stelde hij de Broederschap in van het H. Hart van Maria, stichtte hij een kapel ter ere van OLV van Altijddurende Bijstand en preekte hij voor de oprichting van de Broederschap der H. Familie. Deze door Redemptoristen bevorderde devoties en broederschappen kenden in de tweede helft van de 19e eeuw en in de eerste helft van de 20e eeuw honderdduizenden leden. Hafkenscheid heeft aan de bevordering van deze devoties en broederschappen een belangrijke bijdrage geleverd. Bernard gaf in zijn eerste tien jaren (1834-1844) meer dan 120 missies en 13 retraites. Beneden de rivieren sloeg hij amper een parochie over; voortdurend was hij onderweg. Vanuit Wittem begon Hafkenscheid vanaf 1841 missies naar Noord-Brabant, voor het eerst bij seminaristen in St. Michielsgestel. Bij deze missies speelden zich bijzondere taferelen af. Tijdens een missie in Den Bosch bracht een bekeerling bijvoorbeeld een wagen vol slechte boeken bij de pastorie en plaatste voor op de wagen bustes van Voltaire en Rousseau. Bij het biecht horen in Den Bosch moesten maar liefst 48 priesters komen helpen. Aan het einde van deze missie kreeg pater Bernard uit dankbaarheid van de Bosschenaren een zilveren godslamp cadeau voor het klooster in Wittem.

Pater Bernard steekt de oceaan over (1)
De ambities van de Redemptoristen bleven niet beperkt tot Europa. Een nieuwe fase in het leven van pater Bernhard brak aan toen Hafkenscheid in 1844 samen met de provinciaal van de Belgische provincie, pater De Held, Amerika bezocht. Vanuit het klooster in Wenen werden activiteiten van de Redemptoristen financieel gesteund, maar formeel vielen de Verenigde Staten onder de Belgische provincie. De Verenigde Staten waren toen vol in ontwikkeling. Er waren veel Duitse katholieke kolonisten, met name in de omgeving van Baltimore, maar nog nauwelijks priesters. Met de stoomboot Hibernia werd in een wekenlange reis de Atlantische Oceaan overgestoken, waar ijsschotsen bijna een voortijdig einde aan de reis maakten. In Boston gingen ze aan land en vervolgens reisden De Held en Hafkenscheid vier maanden lang door Amerika. Eerst langs de in 1843 gestarte vestigingen in Maryland, New York en Philadelphia. Daarna te paard dieper het land in naar Buffalo, Chicago en Michigan tot aan de grens met het gebied van indianen waar nog geen blanke was geweest. Pater Bernard kwam enthousiast terug in Wittem. Hij voelde zich betrokken bij het lot van de verlaten katholieken in Amerika. Een nieuw vuur was in hem aangewakkerd.

Links: Bernard Hafkenscheid.
Rechts: Redemptorist tussen Huron en Iroqi Indianen rond 1900.

Tweede periode van volksmissies en priesterretraites
Tijd om bij te komen was er niet voor de pater. Hafkenscheid begon namelijk gelijk weer aan de volgende missie, een retraite voor de studenten van het seminarie Hageveld. Weer volgden jaren met tientallen missies en retraites. Een keer per jaar bezocht hij daarbij zijn familie in Amsterdam, steeds in combinatie met retraites voor Amsterdamse wezen, religieuzen, de aartsbroederschap van de H. Familie in de OLV kerk of de Vincentiusvereniging. Een ander hoogtepunt in deze periode was het zesde eeuwfeest van de instelling van H. Sacramentsdag door de H. Juliana van Luik dat in juni 1846 werd gevierd. Daarvan werd door mgr Van Bommel een groot feest gemaakt. De beste redenaars van het bisdom en elders zouden in Luik rondom het tabernakel preken. Daarbij mochten de redemptoristen Bernard Hafkenscheid en Victor Deschamps niet ontbreken. Meer dan 50.000 pelgrims, waaronder de Haarlemse bisschop Van Wijckersloot, woonden dit bijzondere feest bij. Het jaar had echter een zwart randje want later dat jaar overleed Bernards vader. Bernard leidde zelf in Amsterdam diens uitvaartdienst.

Pater Bernard steekt de oceaan over (2) maar bezoekt eerst nog Amsterdam
In 1848 werd op Hafkenscheid een beroep gedaan om voor een periode van 3 jaar viceprovinciaal voor Amerika te worden. Voordat Hafkenscheid weer naar Amerika vertrok bezocht hij zijn familie in Amsterdam. Via zijn broer Christiaan Hafkenscheid hadden de Redemptoristen daar een jaar eerder aan de Keizersgracht een kavel gekocht waar hun eerste klooster “boven de rivieren” (en hun tweede in Nederland) gevestigd zou worden. De pauselijke nuntius had daarvoor zijn toestemming gegeven op voorwaarde dat aan het klooster een kerk verbonden zou worden die opengesteld zou zijn voor de Amsterdamse katholieke bevolking. In 1850 waren net de eerste Redemptoristen vanuit Wittem in Amsterdam aangekomen en werd in de kapel van het klooster bij zijn aankomst een plechtige noveen gevierd. Bernard zou Bernard niet zijn als hij niet van de gelegenheid gebruik maakte om er gelijk te preken en biecht te horen. Na de opening van de Amsterdamse OLV Kerk in 1853 werden in Nederland nog diverse andere Redemptoristenkerken gebouwd in de voor hen kenmerkende neogotische stijl.

Plaats Periode Naam
Amsterdam (Keizersgracht) 1853-1985 OLV Kerk
Den Bosch (Josefstraat) 1855-1971 St. Jozefkerk
Roermond (Parklaan) 1863-2011 OLV in ‘t Zand
Roosendaal (Vincentiusstraat) 1868-2002 OLV Altijddurende Bijstand
Rotterdam (Goudse Rijweg) 1881-1975 Kerk van de Allerheiligste Verlosser

Vlnr: St. Jozefkerk met Rechts daarvan het klooster van de Redemptoristen in Den Bosch; de Rotterdamse kerk van de Allerheiligste Verlosser. Bij deze kerk hoorde een winkeltje met devotionalia en een kapel van OLV van Altijddurende Bijstand; de Redemptoristenkerk in Roosendaal en de OLV kerk aan de Keizersgracht in Amsterdam.

Na een afscheid van zijn moeder vertrok Bernard in 1851 naar Amerika met de pakketboot Helvetia vanuit het Franse Le Havre. Zijn moeder zou kort daarop overlijden waarna Bernard van de erfenis in Amsterdam een Vincentiusschool heeft laten bouwen. Mogelijk heeft hij ook bijgedragen aan de bouw van het Bernardus gesticht dat aan de Oude Turfmarkt was gevestigd (het nieuwe Bernardus aan de Marnixstraat is onlangs gesloopt). De rest van de erfenis ging naar de congregatie in Amerika, waar een nieuwe periode volgde van volksmissies (in het Duits of in het Engels) en stichting van kerken, kloosters en scholen.

Zijn rechterhand in Amerika werd de later heilig verklaarde redemptorist John Neumann, een man die twaalf jaar eerder met 1 dollar op zak, versleten schoenen en oude kleren in New York was aangekomen om vervolgens te voet en te paard door de prairie te trekken om te preken voor de verspreide katholieken die hij daar aantrof. Eind december trok Hafkenscheid met vier andere Redemptoristen aan boord van de Washington weer de oceaan over. Na aankomst in New York begon hij in Baltimore samen met Neumann met zijn werk. Overal bezochten zij de scholen, kerken en kloosters die de Redemptoristen in Amerika bouwden. Er kwam een noviciaat bij het St. Alphonsusklooster in Baltimore, zodat al snel ook de eerste Amerikaanse redemptoristen konden worden opgeleid. Hafkenscheid betaalde uit eigen zak de vergroting van het klooster. Overal waar hij kwam (en waar kwam hij niet?) stichtte hij vanuit de Amerikaanse Redemptoristenkerken de verenigingen en broederschappen die hij uit Europa kende.

. Met de Redemptoristen spreidde zich de devotie tot OLV Altijddurende Bijstand over Amerika.

Links: kerk van OLV van Altijddurende Bijstand in Boston.
Midden: St Alphonsuskerk in Baltimore met rijk versierd Alphonsusaltaar, een kerk waar Hafkenscheid enige tijd verbleef.
Rechts: St Michaels, een kleine kerk in Baltimore die in 1852 werd ingewijd door Hafkenscheid.

Bijzonder was dat in deze tijd, waarin in Amerika nog de slavernij heerste, een congregatie van zwarte Zusters der Voorzienigheid in Baltimore onder Bernards hoede kwam. Vele zwarte slaven kregen van deze zusters voor het eerst onderwijs. Het was aan de vooravond van de Amerikaanse burgeroorlog, die een einde aan de slavernij zou maken. Bernards reizen voerden in die tijd van Detroit in het Noorden tot New Orleans aan de monding van de Mississippi. Veel katholieke pioniers die in het wilde Amerika van hun geloof verwijderd waren geraakt, werden door de Redemptoristen terug in de kerk gebracht. Zijn Broederschap van het H. Hart van Maria had overal in Amerika wortel geschoten. In 1850 kon hij voldaan terugkeren en aan de algemeen overste der Redemptoristen in het Italiaanse Nocera verslag doen. Zijn werk had zodanige vruchten afgeworpen dat Amerika een zelfstandige provincie der Redemptoristen kon worden met Hafkenscheid als eerste provinciaal.

Links: pater Bernard op een schilderij uit 1846 van de Antwerpse schilder Delin dat lange tijd in het Redemptoristenklooster in Amsterdam hing en dat zich thans in Wittem bevindt.
Midden: een foto die de familie Hafkenscheid in 1863 van pater Bernard liet maken, gezeten voor het kruisbeeld aan een tafel.
Afdrukken van het portret hingen in vele katholieke huiskamers, ook in Amerika (Rechts).

Nieuwe opdracht in Ierland en Engeland
Nadat de drie Jaren van zijn provincialaat waren afgelopen, opende Bernard nog een nieuw klooster in New York, waarna hij met de stoomboot Asia naar Europa zou varen. Bij zijn vertrek hadden de Redemptoristen er 14 kerken (waaraan steeds kloosters en scholen verbonden waren). Een half jaar later volgde een nieuwe opdracht. Pater Bernard werd in 1853 aangesteld tot overste van het Redemptoristenklooster in het Ierse Limerick en van de Engelse missie van de redemptoristen. Ierland en Engeland zouden vanaf 1855 onder de Nederlandse provincie vallen waarvan het provincialaat zich in het nieuwe klooster aan de Keizersgracht in Amsterdam bevond. Joannes Swinkels was de eerste overste van dit klooster. Hij zou in 1855 de eerste provinciaal van de Nederlands-Engelse provincie worden (en in 1865 de eerste vicaris van de Surinaamse missie der Redemptoristen). Pater Bernard zou in Limerick de bouw van het klooster en de kerk begeleiden, die later nog een rol zouden spelen in het boek Angela’s Ashes over de armoede in het door hongersnoden geplaagde Limerick. De volksmissies waren nieuw in Ierland maar waren ook daar gelijk een succes.

Links: pater John Neumann.
Midden: pater Swinkels, eerste overste van het Amsterdamse klooster aan de Keizersgracht.
Rechts: standbeeld van pater Bernard in de tuin van het klooster in Wittem opgericht precies 100 jaar geleden.

Derde periode van volksmissies en priesterretraites
Aan het einde van 1855 was Hafkenscheid terug in Wittem. Er volgde een periode van 10 jaar waarin opnieuw vele volksmissies werden voorbereid en uitgevoerd. Zo was na een grote retraite in St. Truiden in 1865 het kleine Montzen aan de beurt voor zijn 291ste volksmissie, een Belgisch plaatsje dichtbij Aken en op ongeveer 15 km van Wittem. Op 27 mei werd de missie geopend. Vier dagen later struikelt hij bij een H Communie voor de kinderen in het middenpad over een klein vooruitstekend bankje. Hij scheurde de linker kniepees en kon niet meer lopen. In de pastorie overnachtte hij en enkele dagen later reisde hij in een rijtuig terug naar Wittem. In Wittem ging het aanvankelijk wat beter en kon hij met een stok in de tuin lopen, maar in augustus verslechterde zijn toestand. Op 27 augustus 1865 (de feestdag van het H. Hart van Maria) werd hij bediend en op 2 september 1865 overleed pater Bernard na 33 jaar priester en 32 jaar Redemptorist te zijn geweest.

Links: klooster Wittem ten tijde dat Bernard Hafkenscheid er woonde.
Rechts: het kerkje van Montzen

Herdenking

Tot zover het levensverhaal van Bernhard Hafkenscheid volgens de lijnen zoals in 1877 opgetekend door M.J.A. Lans. 150 jaar na zijn overlijden herdenken we deze onvermoeibare volksmissionaris, die de Mississippi en het Wilde Westen trotseerde, maar struikelde over een bankje in het kleine kerkje van Montzen. Het mag typerend worden genoemd dat zijn carriere als volksmissionaris zowel begon als eindigde in klein dorpjes ergens tussen Luik en Aken. Pater Bernhard wilde geen enkele ziel verloren laten gaan en ging daartoe tot het uiterste. Kenmerkend is ook dat pater Bernhard niet gekozen heeft voor de voor de hand liggende weg van een (relatief comfortabele) loopbaan als priester in een van de staties in Holland maar voor het avontuur dat het ontwikkelen van de congregatie der Redemptoristen in Belgie en Nederland en later in Amerika, Engeland en Ierland moet zijn geweest. Hij moet vele uren in oceaanstomers, de diligence en (in Amerika) op het paard en de rivierstoomschepen hebben doorgebracht en moet daarbij vele wonderlijke ontmoetingen hebben gehad. Hij zal ook veel tegenstand van protestanten, liberalen en vrijmetselaars hebben moeten overwinnen. Zelfs door katholieke priesters werden de Redemptoristen niet altijd met open armen ontvangen.

Hij heeft zijn evangelisatie echter tot het einde toe met volle kracht voortgezet. Gezien de indrukwekkende aantallen deelnemers aan volksmissies en leden van de door de Redemptoristen opgezette broederschappen, moet hun verkondiging veel mensen hebben aangesproken. Nieuwsgierigheid naar deze missionarissen zal mede verklaren waarom zoveel mensen aan een missie deelnamen. Het was echter ook een tijd waarin de mensen in Europa en in Amerika door ziekten en armoede werden geteisterd. De radicale keuze van Hafkenscheid en van de andere Redemptoristen voor de armen en hun boodschap van verlossing is door de mensen opgepikt. Honderdduizenden mensen hebben door volksmissies hoop gekregen en hebben hun leven gebeterd. De traditie van volksdevoties en broederschappen is na het overlijden van pater Bernhard door de Redemptoristen voortgezet. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg deze traditie het moeilijk en was het met de volksmissies al snel afgelopen. Het klooster te Wittem is echter nog steeds een belangrijk bedevaartsoord, niet alleen vanwege de redemptoristenheilige H. Gerardus van Majella, maar ook vanwege de door Hafkenscheid zo gestimuleerde devotie tot de H. Maria, OLV van Altijddurende Bijstand.

Als eerbetoon aan Hafkenscheid tot slot bij zijn 150ste sterfdag twee wandelingen waarvan hij er een mogelijk heeft gekozen om vanuit het klooster in Wittem bij de bestemming van zijn laatste volksmissie (Montzen) te komen.

Wittem – Montzen (via Bommerig) Wittem – Montzen (over de Gulperberg)
Steek de provinciale weg over naar Partij en vervolg daar de weg naar Mechelen. Blijf in Mechelen ten oosten van de Geul en ga door het Geuldal via Kleeberg en Helle naar Bommerig, waar de Redemptoristen aan de rand van het Elzetterbos hun retraitehuis Emmaüs hadden en waar zij dus in de zomer konden uitrusten. Vanuit Bommerig gaat de weg via Camerig en Cottessen door naar de grens met Belgie. Via Sippenaeken en Plombieres kan dan over het grote rangeerterrein (dat indertijd is aangelegd voor de grote zinkindustrie in deze regio) Montzen worden bereikt (na ongeveer 15 km, 3.5 uur lopen). Steek de provinciale weg over en ga in Partij bij het klooster van de Redemptoristinnen rechtsaf richting de Gulperberg. Bovenaan de berg bevindt zich een groot Mariabeeld (de provincie Limburg is in 1953 aan H. Maria gewijd) en het eerste missiekruis van de Redemptoristen in Nederland. Volg de weg naar Heijenrade, langs de Gerardus-hoeve, een hotel waar zich een klein kapelletje voor de H. Gerardus van Majella bevindt. Vervolg de route bij Heijenrade langs de Gievelderweg over de Gulperberg richting Hombourg. Bij Hombourg met zijn door katholieke jongeren op de Gulperberg geplante kruis wordt via de Rue de Belven en de Rue de Hombourg Montzen bereikt. De tocht is ongeveer 16 km (3,5 uur lopen).

Links: huize Emmaus in Bommerig.
Rechts: paters zagen bomen in huize Emmaus