Hoe Suriname katholiek werd vanuit de Keizersgracht

Zo’n 180 jaar geleden, op 12 december 1865, vertrok de overste van het Redemptoristenklooster aan de Keizersgracht, Johannes Swinkels, met zijn broer Lambert Swinkels en nog 2 andere paters Redemptoristen uit Am-sterdam met het zeilschip De Jonge Eduard vanuit Den Helder naar Paramaribo. Het reizen naar Suriname was in die tijd anders dan nu. Nu neem je vanuit de Keizersgracht de bus naar Schiphol en land je een paar uur later in Paramaribo.

De eerste communiteit van de Redemptoristen in Paramaribo in 1871 met rechts aan de tafel Johannes Swinkels. De in 1810 in Brabant geboren Swinkels was op zijn 34ste Redemptorist geworden. Tien jaar later arriveerde hij aan de Keizersgracht waar toen net onze kerk met bijbehorend klooster geopend was. Tot zijn vertrek naar Suriname was hij niet alleen overste van het klooster van de Amsterdamse Redemptoristen maar ook overste van de Nederlandse provincie.

Johannes Swinkels moest echter enkele maanden in Den Helder wachten op een gunstige wind, waardoor hij met De Jonge Eduard pas 3½ maand later, op 26 maart 1866, in Paramaribo aankwam.

De paters waren niet bang om voor hun missie risico’s te nemen. Op de website van onze kerk is onlangs het verhaal geplaatst van de Amsterdamse Redemptorist Bernhard Hafkenscheid, die eveneens vanuit de Keizersgracht in diezelfde tijd met de zeilboot naar Amerika en daar te paard door het Wilde Westen trok. Ook de missie in Suriname was vol risico’s. Met vrijwel niets werd begonnen in een ander klimaat en een andere omgeving. De broer van Johannes overleed al enkele maanden na aankomst, in augustus 1866. Suriname werd in die tijd bewoond door de oorspronkelijke bewoners, de indianen, die zich in het binnenland hadden teruggetrokken, Hollandse en gereformeerde kolonisten met hun plantages langs de Surinamerivier, en hun zwarte slaven, die vanaf 1667 vanuit West-Afrika door de West-Indische Compagnie naar Suriname waren gebracht. De Hollandse gouverneurs van Suriname hadden hun best gedaan om katholieken te weren. Het was voor katholieke priesters lange tijd verboden om de weinige katholieke kolonisten en slaven, vaak afkomstig uit de Franse Antillen, te bedienen.

Petrus (“Peerke”) Donders aan het werk op Batavia. Hij werkte 44 jaar lang in Suriname. Hij verzorgde in Batavia de zieken en hoorde hun problemen aan. De melaatsen lagen daar in hutten op de grond en moesten met hun ver-minkte ledematen hun eigen eten bereiden. Dagelijks trok Peerke rond om de zieken te bezoeken, hen te verzorgen, te bemoedigen, stervenden op hun dood voor te bereiden en doden te begraven. 's Nachts sliep hij op de plankenvloer en bracht vele uren door met bidden. Regelmatig trok hij met een tentboot het oerwoud in door de Copename, Wayombo en Nickerie rivier om indianenstammen te bezoeken en sliep dan eenzaam in een hangmat in de wildernis. Na 27 jaar in Batavia te hebben gewerkt overleed Peerke Donders er in 1887. In 1982 werd hij zalig verklaard. Zijn feestdag is op 14 januari.

Het was de taak van Swinkels en zijn paters om het pionierswerk van Surinames priesters voort te zetten. Veel priesters waren er toen niet. Kort voor de aankomst van Swinkels was de Amsterdammer Jacob Grooff, die vooral in Paramaribo werkte, overleden. En verder was er de Brabander Petrus Donders, die aan de Coppenamerivier in de tot melaatsenkolonie omgebouwde plantage Batavia voor de melaatsen werkte. Grooff en Donders waren zo ongeveer als eersten begonnen de plantages te bezoeken en slaven te dopen. Donders sloot zich al snel bij de Redemptoristen aan om met hun hulp zijn werk voor de melaatsen voort te zetten. Verder waren er in Paramaribo al Zusters franciscanessen van Roosendaal actief in onderwijs en weeszorg.

De Redemptoristen namen hun broederschappen en congregaties mee naar Suriname en ook hun devotie tot OLV van Altijddurende Bijstand. Het Nederlandse model stond dus aanvankelijk voorop. Zij richtten zich met name op de slaven. Hun lot was slecht. Uitbuiting, misbruik en mishandeling door hun eigenaren kwamen veel voor. Sommigen kozen voor de vlucht en vormden gemeenschappen van bosnegers. Anderen gingen in verzet of verzoenden zich met hun lot. De gereformeerde kerk bekommerde zich nauwelijks om hen en bemoeide zich, in tegenstelling tot de katholieke kerk en de Evangelische Broedergemeente, alleen om de Surinaamse blanken.

Na afschaffing van de slavernij werden in Suriname grote houten kerken gebouwd, zoals de kerk in Nieuw-Nickerie der Hernhutters (links) en de kathedraal van de katholieken, St. Petrus en St. Paulus (1883), in Paramaribo (midden en rechts), de hoogste houten kerk ter wereld. De Hernhutters, een door de Duitse graaf Nikolaus von Zinzendorf gestichte sekte, kreeg in 1735 toestemming om in Suriname slaven en oorspronkelijke bewoners te bekeren. De protestantse en joodse kolonisten toonden weinig interesse voor het geloof van de slaven, die aan hun Afrikaanse gebruiken vasthielden.

Het lot van de slaven begon rond de periode van de aankomst van Swinkels in Suriname te keren. Paus Gregorius XVI had zich in 1839 tegen de slavernij uitgesproken. Ook Peerke Donders was ertegen. Hij schreef in die tijd aan de vroegere kapelaan Van Someren in Tilburg: Dit alles, hoop ik, zal met Gods goedheid het vrijgeven der Slaven bespoedigen. Ja, de goede God, zo hoop ik, zal in zijn barmhartigheid en gerechtigheid het lot van de ongelukkige en zo lang verdrukte slaaf verzachten en hem die vrijheid schenken, waardoor hij in staat zal zijn om zijnen Schepper te kunnen kennen en opregt te dienen. De eigenlijke afschaffing van de slavernij vond plaats op 1 juli 1873. Deze dag wordt in Suriname en Amsterdam herdacht als de feestdag Keti Koti (de ketenen zijn gebroken).

De slaven werden vanaf 1840, toen de katholieken toegang tot de plantages kregen, op steeds grotere schaal door de katholieke gemeenschap en door de Evangelische Broedergemeente (een Duitse protestantse sekte, ook wel Hernhutters genoemd) vrijgekocht. In Amsterdam werd daartoe een Liefdefonds opgezet. De ex-slaven werden in feite in twee kampen verdeeld, de anitri (Hernhutters) en de lomsu (de roomsen), elk met eigen verenigingen en gemeenschappen. Voor de komst van de Redemptoristen in 1815 waren er maar 400 katholieken in Suriname. Dat aantal was in 1859 door het werk van priesters als Grooff en Donders gegroeid tot 9.500 in 1859 en tot 12.000 bij de komst van Swinkels. De katholieke gemeenschap bestond voornamelijk uit slaven. Toen de slavernij werd afgeschaft kwamen er ook Chinezen (Java en China) en Brits-Indiërs {Hindoestanen) op de plantages werken. Toen de Redemptoristen zich ook op hen richtten nam het aantal katholieken snel toe en werd de katholieke gemeenschap in Suriname net zo kleurrijk als Suriname zelf. De paters moesten daartoe vele talen leren, waaronder Sranan, Indianentalen, Javaans, Chinees en Hindi. Overal in Suriname werden kerken, zorginstellingen en scholen gebouwd. De priesters trokken van dorp tot dorp langs de rivieren in het bosland en bleven overal enkele dagen (rondtrekkende kerk).

In de periode van 1866 tot 1958, het jaar dat Suriname een zelfstandig bisdom werd, hebben de Redemptoristen (samen met kloosterzusters en broeders die uit Nederland volgden) het katholicisme op de kaart gezet. Na de Tweede Wereldoorlog waren er meer katholieken in Suriname dan Hernhutters, hervormden of luthersen. De kern van de katholieke gemeenschap bleven de creolen, de vroegere slaven. De Surinaamse katholieke kerk is dus vooral een zwarte kerk gebleven. Onderwijs, zorg en sociale steun zullen een rol hebben gespeeld bij de keuze van veel Creolen voor het katholicisme. Het katholieke onderwijs en de katholieke weeszorg hadden in Suriname een goede naam.

Links: de meisjes van de Vlechtschool met hun gevlochten touwen (1925).
Rechts: het onderwijs van de zusters op de Vlechtschool

Ook ondernamen de Redemptoristen economische activiteiten (al bleven ze afhankelijk van financiële steun uit Nederland). Ze zorgden voor productie van sisal (om touwen van te maken) en sigaren (van het merk Leo Victor) en hadden een drukkerij en timmerwerkplaatsen waar de jongenswezen vakkennis konden opdoen. Voor meisjes hadden de kloosterzusters Franciscanessen een vlechtschool. Er kwam een Vincentiusziekenhuis in Paramaribo en in het bosland klinieken. In patronaatsgebouwen werden aan de jeugd cursussen gegeven en kon aan sport worden gedaan. Voor volwassenen waren er cursussen over de sociale leer van de kerk en er werden vakbonden opgericht. Zo droegen de Redemptoristen bij aan de emancipatie van Suriname. De Surinaamse elite bleef echter tot de onafhankelijkheid antikatholiek. Pas daarna kwam er een katholieke regeringsleider (Venetiaan). Ook de huidige leider, Desi Bouterse, is oorspronkelijk katholiek, maar is later overgegaan naar de pinkstergemeente.

In 1958 werd Suriname een bisdom en droegen de Redemptoristen de zorg voor de katholieke gemeenschap over aan de bisschop. De eerste in Suriname geboren bisschop was de Redemptorist Aloysius Zichem. Hij maakte als bisschop (1970-2003) de overgang naar de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, de Decembermoorden (1982) en de binnenlandse oorlog (1986-1992) mee. De aanpak naar Nederlands model verdween in die tijd langzaam. Het Surinaamse karakter van de kerk kwam in taal, zang, versiering, kleding en dans tot uiting. Een hoogtepunt in de geschiedenis van katholiek Suriname was de verheffing van de Petrus & Paulus kathedraal van Paramaribo tot basiliek. Op zondag 6 april 2014 heeft de pauselijke nuntius voor de Caraïben, aartsbisschop Nicola Girasoli, het pauselijke decreet daarvoor voorgelezen en de riten daarvoor voltrokken.

Vlnr: processie op Palmzondag vanuit kathedraal in Paramaribo (2000). Mgr. Aloysius Zichem. Het graf van Peerke Donders op voormalige melaatsenkolonie Batavia. Maandelijks vinden nog bedevaarten naar Batavia plaats. Rechts: pastoor Meershoek die meer dan 30 jaar lang de Surinaamse parochie leidde die verbonden is aan de Amsterdamse OLV kerk.

De OLV kerk in Amsterdam speelt voor de Surinaamse katholieke gemeenschap nog steeds een belangrijke rol. Niet meer als centrum van waaruit Redemptoristen naar Suriname vertrekken of waar liefdefondsen voor Suriname worden beheerd, maar als kerk voor de Surinaamse gemeenschap in Amsterdam. Doordat na de onafhankelijkheid veel Surinamers naar Nederland emigreerden, is de katholieke Surinaamse gemeenschap in Nederland (met kerken in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Haarlem en Tilburg) bijna even groot als die in Suriname zelf. De kleurrijke Surinaamse katholieke gemeenschap geeft zo tegenwoordig kleur en steun aan de katholieke gemeenschap in Nederland. Met hun devotie tot Peerke Donders en OLV van Altijddurende Bijstand herinneren de Surinamers aan het verleden van de OLV kerk als Redemptoristenkerk en als plaats van waar Redemptoristen ruim 100 jaar lang het geloof in de Verenigde Staten, Suriname en Brazilië verkondigden.

Maurice Essers