Het gezamenlijke huis volgens paus Franciscus

De paus heeft eind mei met de encycliek Laudato Si zijn sociale leer uitgewerkt, waarover hij eind 2013 al schreef in de apostolische exhortatie Evangelii gaudium. In deze leer staan de zorg voor de schepping en voor armen en uitgeslotenen centraal. De paus veroordeelt een doorgeschoten individualisme dat tot hebzucht en verspilling leidt, tot asociaal gedrag en schade voor het milieu. Hij laat zich inspireren door Franciscus van Assisi, die in de 13e eeuw eenvoudig leefde, in harmonie met God, andere mensen, de natuur en zichzelf en die een verband legde tussen zorg voor de natuur, rechtvaardigheid voor de armen, toewijding aan de maatschappij en innerlijke vrede.

De encycliek vermeldt dat Franciscus steeds vroeg om een deel van een kloostertuin onaangeroerd te laten zodat wilde bloemen en kruiden daar vrij spel hadden en bezoekers zo aan God herinnerden, de Schepper van deze schoonheid. Dit deed mij herinneren aan het tuintje dat ik mijzelf bij mijn ouders thuis als 17-jarige (illegaal, dat wil zeggen: zonder toestemming van mijn moeder) toe-eigende na het overlijden van mijn vader aan een ziekte die ik indertijd verklaarde door zijn flinke gebruik van bestrijdingsmiddelen in onze moestuin. Met mijn tuintje (een door een rij bakstenen begrensd plekje van enkele vierkante meters) wilde ik laten zien dat de aarde kan helen en haar schoonheid weer terug kan krijgen als ze gerespecteerd wordt. En zo was het ook. Er kwamen bloemen, kikkers, insecten, muizen. Het enige wat ik deed was hier en daar wat planten weghalen die het geheel dreigden te overwoekeren. Op een houten bordje schreef ik “God is mijn tuinier”. Daarmee wilde ik zeggen dat dit tuintje met zijn diversiteit zoveel mooier was dan een grote bloemkool of krop sla in een giftuin. Ik hoopte daarmee ook dat niemand het zou aandurven om de bakstenen weg te halen en met een grasmaaier over het tuintje te gaan. Nadat een strenge winter de goudvissen in onze vijver had ingevroren, nam ik ook daar mijn kansen waar. Ik vulde de vijver met waterplanten en met vissen die ik van een Maasvisser in een plastic zak kreeg, waarna zich ook daar een wonder voltrok. Ik keek urenlang naar het uitbundige leven dat in dit kleine vijvertje opbloeide, waaronder dat van salamanders die af en toe aan de oppervlakte kwamen om lucht te happen. Met medescholieren richtte ik het clubje “Spes” op om de wereld te verbeteren. Leraren die met de fiets naar school kwamen kregen een appeltaart en in de zomer gingen we in de natuur kamperen. Daarbij sneuvelde, zo moet ik bekennen, wel eens een houten jachthut die we tijdens een wandeling tegenkwamen; niet zozeer uit medelijden met de dieren als wel om aan te geven dat de mens de natuur niet moet uitbuiten. Ik maakte me ook druk om de vele hoogstam fruitboomgaarden in de omgeving die toen geveld werden en wilde guldens plakken op bomen om hun kap te voorkomen.

De paus had voorzitter van ons clubje kunnen worden. Hij roept op tot debat en tot verandering en beklaagt zich over degenen die de problemen ontkennen en een heling tegenwerken. Hij ziet de mens als oorzaak van de problemen, maar acht de mens ook in staat om het tij te keren door een andere manier van leven, produceren en consumeren. Hij plaatst de zorg voor de natuur in de bredere context van zorg voor armen, die voor hun overleven in veel landen zijn aangewezen op de vruchten van de natuur en die hun situatie soms door migratie proberen te ontvluchten. Hij is kritisch ten opzichte van beslissers (politici en leiders uit het bedrijfsleven), die vaak alleen aan winst voor de korte termijn denken, en ten opzichte van de gedachte dat techniek, economische groei of strenge wetten de problemen vanzelf zullen oplossen. Hij veroordeelt zowel een dergelijk ontkennend denken, als het denken (dat ik als 17-jarige had) dat de menselijke aanwezigheid en het menselijk ingrijpen in de natuur zoveel mogelijk moet worden beperkt. Volgens de paus kan beter naar een middenweg worden gezocht.

Dat er iets moet gebeuren staat voor hem vast. De paus stelt vast dat het huidige wereldsysteem niet duurzaam is en moet veranderen. Hij roept op tot debat en tot moed voor (radicale) verandering naar een duurzame wereld. Hij verbindt een oplossing van milieuproblemen met een oplossing van sociale problemen. Het een kan volgens hem niet zonder het ander. Zorg voor de natuur, liefde voor de medemens en openstaan voor God moeten samengaan. Franciscus pleit voor een integrale ecologie waarin de menselijke, culturele en sociale dimensies gerespecteerd worden. De wereld moet als een geheel worden gezien, een gezamenlijk huis voor ons allen.

De bijdrage die de kerk kan leveren vloeit volgens de paus voort uit haar sociale leer, het katholieke erfgoed en de bijbel. Zo geeft het boek Genesis aan dat het menselijke leven is gebaseerd op de relaties met God, met andere mensen en met de natuur. De paus noemt ook St. Benedictus (het eenvoudige monastieke leven in gemeenschap, gezamenlijk gebed en arbeid) en kleinschalige landbouw met boomgaarden en tuinen. De overheid moet deze kleinschalige landbouw beschermen.

De encycliek geeft ook praktische adviezen, zoals aan politici en leiders uit het bedrijfsleven. Zij mogen niet op korte termijn denken en moeten bij beslissingen de invloed daarvan op het milieu meenemen en zich openstellen voor ideeën van de lokale bevolking. De paus verwacht verder veel van plaatselijke gemeenschappen, waaronder belangenorganisaties en parochies. Hij hoopt dat lokale kerken een eenvoudig leven, dankbaarheid voor Gods wereld en zorg voor armen en het milieu kunnen bevorderen. Dat ze de mensen leren om de aarde te ontwikkelen en te beschermen en haar niet uit te buiten en te vernietigen en om de dieren en planten te respecteren, want ook zij zijn een afspiegeling van God, en dankbaar te zijn jegens de Schepper. De mens moet bereid zijn te veranderen, te leren om op een andere manier naar dingen te kijken en daarover te denken. Wij moeten ons proberen los te maken van consumentisme, dat wil zeggen de drang om steeds meer dingen te kopen, en moeten ons om elkaar bekommeren. Het gaat volgens de paus om kleine dagelijkse zaken, zoals het beperken van het gebruik van water, elektriciteit, papier en plastic, het waarderen van kleine dingen, een vriendelijk woord, een klein gebaar of een glimlach. En natuurlijk de zorg voor elkaar, die in het komende jaar van barmhartigheid veel aandacht zal krijgen. De paus vraagt om een innerlijke ecologische bekering, waarbij de ontmoeting met Christus tot uitdrukking komt in onze relatie met de wereld om ons heen. We moeten af en toe tijd nemen om na te denken over onze levenswijze en idealen en om de Schepper te vinden, bijvoorbeeld tijdens de zondagse H. Mis, het moment waarin onze relatie tot God, onszelf en onze medemensen geheeld kan worden. De paus noemt ook het gebed voor en na het eten, dat ons eraan herinnert dat we afhankelijk zijn van God in ons leven en dat we dankbaar moeten zijn voor de vruchten van de Schepping.

De encycliek leerde mij o.a. dat God niet mijn tuinier is en dat die tuin ook eigenlijk niet van mij is. God heeft ons een wereld gegeven, Zijn wereld, waar wij voor moeten zorgen. Niet God maar wij zijn de tuinier van die wereld. We moeten zorgen voor Zijn tuin en vijver en plaats laten voor vogels, vissen en andere dieren. We moeten o.a. via zijn tuin leren begrijpen, zodat we net als Franciscus van Assisi in harmonie met God, andere mensen, de natuur en onszelf leren te leven. We hebben van God niet alleen de zorg voor Zijn tuin gekregen maar ook voor een gezamenlijk huis waarin plaats moet zijn voor alle medemensen en waarin we als een familie voor elkaar zorgen. We moeten zijn huis en tuin in een goede toestand overdragen aan volgende generaties en mogen Zijn vertrouwen daarbij niet beschamen. Tijd om stil te zitten wil de paus zijn tuinploeg niet geven. We moeten aan de slag

Maurice Essers