Requiem van Joodse hand voor een rechtvaardig priester

Dit jaar is het 50 jaar geleden dat de katholieke kerk in de verklaring Nostra Aetate haar verhouding tot het Joodse volk aanpaste aan de nieuwe inzichten van de tijd. In Nostra Aetate werd antisemitisme door de katholieke kerk veroordeeld en werd verklaard dat de menselijke waardigheid en de daaruit voortvloeiende rechten aan iedereen toekomen, ongeacht ras of godsdienst. Daarmee werd door de kerk de weg voor dialoog en samenwerking met joden geopend, welke weg in Nederland op initiatief van onze bisschoppen gestalte kreeg in de Dag van het Jodendom. Met de dag van het Jodendom, die dit jaar op 17 januari plaatsvond, willen de bisschoppen de kennis over het jodendom bevorderen en de dialoog tussen joden en christenen stimuleren. In Amsterdam waar duizenden joden vanwege hun ras zijn vermoord, heeft deze dag een extra betekenis. Eén van hen was Ben Konijn, die met familie lange tijd in het huis woonde waarin ik nu mag wonen.

Links: het overlijdensbericht van Ben Konijn.
Rechts: voorblad van het requiem in het handschrift van Hans Lachman

De meeste joden woonden in 1940 in Zuid (40%, tegenover 30% in Oost). Een minderheid van 27% woonde nog in de oude jodenbuurt in het centrum. Elders in de stad woonde aan het begin van de Tweede Wereldoorlog de joodse musicus en componist Hans Lachman. Zijn leven zou worden gered door een Limburgs priester, pastoor Henri Vullinghs. Als ode aan de moedigen en rechtvaardigen die opkomen voor menselijke waardigheid in tijden van antisemitisme en mensenhaat bestaat het voornemen om op 9 en 10 april a.s. op de 70ste sterfdag van Henri Vullinghs het Requiem van Hans Lachman op te voeren. Hierbij alvast een introductie.

Hans Lachman (1906-1990) was in Berlijn geboren. Hij groeide op in de stad die in zijn jeugdjaren zowel het swingende centrum van de Europese amusementsindustrie was, als de plaats waar de moderne natuurkunde ontstond met wetenschappers als Albert Einstein, Nils Bohr en Max Planck. Hans deed volop mee: hij studeerde er wis- en natuurkunde aan de universiteit, maar was vanaf zijn 24ste ook verbonden aan Sid Kay’s Fellows, de eerste jazzband van Berlijn en vaste bespeler van het Kempinski Haus, een bekend gebouw aan de Potsdammer Platz dat vanaf 1928 theaters, café’s, een bioscoop en maar liefst 12 themarestaurants had. Ook werkte hij er voor de grootste Europese filmproducent van die tijd, de UFA. Het was nog de tijd van de stomme films, de tijd dat films in de bioscoop door orkesten werden begeleid.

Links: het Kempinski Haus.
Rechts: de Sid Kay’s Fellows

Hans Lachman en zijn vrouw verlieten Duitsland meteen toen de Nazi’s in 1933 aan de macht kwamen.

Links: de Nederlandse geluidsfilm “Komedie om Geld” (1936) waarvoor Lachman de muziek componeerde.
Midden: Hans Lachman met saxofoon.
Rechts: repetitie van het Joodsch Symphonie Orkest eind oktober 1941

Hij kwam in Amsterdam terecht, waar hij als trombonist en arrangeur ging werken in het Tuschinsky-orkest van Max Tak. In het in 1921 geopende Tuschinskitheater was het beste te zien wat Amsterdam in die tijd op het gebied van amusement te bieden had. Het Tuschinski Theater Orkest speelde een paar keer per dag in de orkestbak onder het filmdoek de muziek bij films en was ook regelmatig op de radio te horen. Het was de tijd waarin de stomme film werd vervangen door de geluidsfilm. Lachman componeerde daarvoor de filmmuziek, verzorgde arrangementen voor orkesten en voor de Snip en Snap Revue van Willy Walden en Piet Muijselaar en trad als muzikant op voor platen van The Ramblers. Bij de eerste anti-joodse maatregelen van de Nazi’s werd Lachman ontslagen. Tuschinski kreeg in de oorlog de niet-joodse naam 'Tivoli'. Van 1941 tot de zomer van 1942 was Lachman als trombonist en arrangeur verbonden aan het Joodsch Amusementsorkest en speelde hij hoorn in het Joodsch Symphonie Orkest. Toen werd hij opgeroepen voor Westerbork en besloot hij voor de deportatie onder te duiken met zijn vrouw Tea en zijn zoon Michael in Noord-Limburg, waar zijn leven en dat van pastoor Henri Vullinghs elkaar aldus zouden gaan kruisen.

Henri Vullinghs (1883-1945) was een zoon van een bierbrouwer uit het Noord-Limburgse Sevenum. Hij was bekend als een verdraagzaam man en had een brede culturele belangstelling; onder meer zette hij zich in voor de kerkmuziek. Zo richtte hij in 1928 het Ward Instituut (later Lennards-Instituut) in Roermond op dat door de opleiding van duizenden onderwijskrachten het zangonderwijs heeft bepaald op katholieke scholen door heel Nederland (in 1937 droeg hij de directeursfunctie over aan Jos Lennards). Vullinghs had in Italië musicologie gestudeerd en had daar de opkomst van het fascisme meegemaakt dat in hem diepe weerzin had opgewekt. In 1939 werd hij pastoor in het Noord-Limburgse Grubbenvorst. Voor de oorlog had hij al voor het nazisme gewaarschuwd in zijn preken. Tijdens de oorlog zou hij in het humanitair geïnspireerde verzet tegen de Duitse bezetter gaan, samen met zijn kapelaans. Aanvankelijk ging het om de smokkel van geallieerde piloten, maar al snel zetten zij zich ook in voor joodse onderduikers. De parochianen zorgden voor onderduikadressen en voor kleding. Hans Lachman werd één van de honderden joden die door Vullinghs en zijn team werden gered. En zo ontmoetten de beide muziekvrienden elkaar in 1942. Tijdens nachtelijke uren bezochten pastoor en kapelaans de onderduikers. In het boek “Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945” beschrijft Jacques Presser een door een getuige doorgegeven scene waarin de pastoor en de vrouw van Lachman, Tea Warszawski, door een bos lopen, waarbij de pastoor gezegd zou hebben: “Dat heb je nooit kunnen dromen, dat je nog eens gearmd met een Limburgse pastoor na middernacht door het bos zou lopen”. “Neen”, zou mevrouw Lachman geantwoord hebben, “maar evenmin zult u vermoed hebben dat u zo’n nachtelijke wandeling nog eens ooit gearmd met een Amsterdams jodinnetje zoudt maken.” Lachman, zijn vrouw en hun zoon zouden de oorlog overleven. Pastoor Vullinghs bracht het er minder goed vanaf. Hij werd op 1 mei 1944 door de Duitse Sicherheitsdienst gearresteerd. Een maand later brachten de nazi’s hem samen met Leo Moonen, secretaris van het bisdom Roermond, over naar het Kamp Vught waar beiden zwaar mishandeld werden. Vullinghs overleefde Vught en het concentratiekamp Sachsenhausen, maar bezweek in het vernietigingskamp Bergen-Belsen op 9 april 1945 aan dysenterie (een week nadat Leo Moonen in datzelfde kamp om het leven was gekomen). Vullinghs bezweek aldus aan de gruwelen van de Duitse kampen. Lachman overleefde de onderduik en keerde na de bevrijding terug naar Amsterdam. Daar bespeelde hij nog jarenlang het orgel van de Liberaal Joodse Gemeente en gaf hij leiding aan het synagogaal koor. Pastoor Vullinghs is hij niet vergeten. Uit dankbaarheid voor deze Limburgse pastoor schreef Lachman na de oorlog onder het pseudoniem H.J. van Limburg een Requiem. Deze bijzondere katholieke dodenmis (door een Jood voor een priester geschreven) voor orkest met 32 leden, koor, orgel en tenor is maar één keer eerder opgevoerd: op 5 mei 1960 in de kerk van Grubbenvorst. De Mis raakte daarna in vergetelheid, tot het handschrift onlangs werd teruggevonden in een sinaasappelkistje in de schuur van zijn zoon, Michael Lachman.

Tot slot
Henri Vullinghs is gestorven vanwege zijn verzet tegen een mensverachtende ideologie en zijn inzet voor de waardigheid van de menselijke persoon. Zijn verhaal van mensenliefde doet denken aan woorden uit Nostra Aetate: “Wij kunnen onmogelijk God, de Vader van alle mensen, aanroepen, wanneer wij weigeren, ons als broeders te gedragen jegens bepaalde mensen, naar Gods beeld geschapen. De verhouding van de mens tot God, onze Vader, en de verhouding van de mens tot de mensen, zijn broeders, zijn zo nauw met elkaar verbonden dat de Schrift zegt: “Wie niet liefheeft, kent God niet” (1. Joh. 4, 8).”

Links: afbeelding van pastoor Vullinghs op een glasraam van de glazenier Max Weiss.
Rechts: de Barmhartige Samaritaan

Het verhaal doet ook denken aan de parabel van de Barmhartige Samaritaan (Lucas 10:25-37), die laat zien dat godsdienst niets betekent, als we niet omzien naar mensen in nood ongeacht hun achtergrond en religie. De moed en inzet van Vullinghs voor een menselijke samenleving zijn een voorbeeld in een tijd waarin we opnieuw met een mensverachtende ideologie geconfronteerd worden en de joodse gemeenschap en de joods-christelijke waarden weer op de proef gesteld worden en op onze bescherming en persoonlijke inzet zijn aangewezen.

Maurice Essers