Kerk en Oorlog (WO I) deel 2

De pastoor van Thimister
Het eerste dorpje dat ik bezocht, Thimister, is de plaats waar op 4 augustus de eerste Belgische soldaat in deze oorlog sneuvelde, Antoine Fonck. Hij was die ochtend vanuit Luik met enkele verkenners op pad gestuurd om te rapporteren over troepenbewegingen van de Duitsers. Ze hadden enkele postduiven bij zich, die zo nodig met een bericht naar het hoofdkwartier in de vesting Luik konden terugvliegen. De verkenners belandden bij Thimister in een schermutseling met de Duitse voorhoede waarbij Fonck door een kogel dodelijk in zijn nek werd getroffen. De familie Bolsée had dit vanuit haar boerderij gezien waarna de dochter des huizes naar Thimister sloop om aan de pastoor verslag te doen. Enkele vrijwilligers vertrokken daarop met een brancard naar de plek des onheils terwijl verderop het eerste burgerslachtoffer viel, de grijsaard Theodore Pauchenne, die langs de berm van de weg voer voor zijn konijnen aan het plukken was en zich naar verluid de woede op de hals haalde van passerende Duitsers wier bevelen hij niet verstond. De meeste bewoners van de streek spraken indertijd het Limburgse dialect waardoor ze de Duitsers goed verstonden, maar de arme Theodore was Franstalig, net als de meeste inwoners van de dorpen die de Duitsers verder westwaarts richting Luik zouden passeren. De pastoor van Thimister, Gaston Rener, sprak wel Duits en onderhandelde met de Duitsers toen zij goederen begonnen te vorderen van de inwoners die zich in hun kelders schuilhielden. Hij gaf het goede voorbeeld door geen verzet te plegen toen zijn wijnkelder werd geplunderd. Kapelaan Delhez ging ondertussen met enkele vrijwilligers met gevaar voor eigen leven het lichaam van de arme Pauchenne zoeken. De pastoor van Thimister zorgde de volgende dag voor de begrafenis van Fonck, Pauchenne en van een gesneuvelde Duitser op het naast de kerk gelegen kerkhofje.

De pastoor van Battice
Toen de voorhoede van de Duitse Ulanen het volgende dorpje, het marktplaatsje Battice, binnentrok werden meteen pastoor Voisin en twee wethouders (Brouwers en Iserentant) gegijzeld. Iserentant werd gedwongen door een Duits officier om in alle straten te roepen dat iedereen binnen moest blijven en dat ieder die zich achter een venster of bij een deur zou vertonen meteen zou worden doodgeschoten. Die dag werden drie mannen aangehouden en die diezelfde avond nog gefusilleerd. De hoofdmacht trok ondertussen verder naar het volgende dorp waar de Duitsers binnen het bereik kwamen van de kanonnen van de forten van Luik, die de hele nacht bulderden. Het leger liep vast en de Duitsers begonnen zich op de dorpelingen te wreken voor het oponthoud met beschuldigingen van vrijschutters die vanuit huizen op hen zouden schieten en spionnen die vanaf kerktorens de Duitse posities doorgaven aan de Belgische forten. Huizen werden geplunderd en in brand gestoken en de bewoners werden in weilanden bijeengedreven. In Battice gingen die dag zo’n 146 huizen en ook de dorpskerk (als eerste Belgische kerk, later volgden nog vele) in vlammen op.

Links: schilderij van de moord op pastoor Labeye en burgemeester Ruwet in Blegny.
Midden: de kerk van Battice na de brand.
Rechts: monument voor Walther Bruyere, de vermoorde burgemeester van Berneau.

De pastoor en religieuzen van Herve
In het volgende plaatsje langs de route, Herve, bevonden zich enkele kloosters. De religieuzen van het weeshuis en de kostschool verzorgden zo goed mogelijk de Duitse gewonden die vanwege de sterke weerstand der forten met bosjes tegelijk werden aangevoerd. De meeste inwoners zijn het plaatsje dan al ontvlucht. Pastoor Guillaume Voisin probeert de achtergebleven parochianen in een klooster te verzamelen als de Duitsers het ene na het andere huis plunderen en in brand steken. 25 mannen worden afgevoerd en later door dronken soldaten in een weiland gefusilleerd.
De pastoor van Blegny
In het verderop gelegen dorpje Blegny arriveren de eerste Duitsers op 6 augustus. Het is één van de vele dorpjes dat het lot als Battice en Herve deelt. De bewoners worden verzameld in de kerk en beginnen met de pastoor Remy Labeye te bidden. De eerste huizen gaan ondertussen in vlammen op. De bewoners blijven de hele nacht met hun pastoor in de kerk, waar de volgende dag een door het Belgische leger geplaatste telefoon wordt ontdekt in de kerktoren. Mannen worden afgevoerd naar Duitsland. De pastoor mag nog een keer de H. Mis lezen en wordt daarna met de burgemeester, André Ruwet, en twee burgers tegen de muur van de kerk geplaatst en gefusilleerd, waarna ook deze kerk in brand wordt gestoken.
De gehangenen
De forten houden tegen de verwachting in de eerste week stand en ook de oversteek van de Maas bij Visé mislukt keer op keer. De bruggen waren op tijd door de Belgen opgeblazen en de pontonbruggen die de Duitsers aanlegden worden door het vuur van de forten vernield. De Duitsers leggen bij Visé tussen de dorpjes Warsage en Berneau een groot kamp aan om te overnachten en installeren in de omgeving hun kanonnen om de forten te bestoken. In het donker breekt in het kamp paniek uit en als de volgende dag een Duitse kapitein dood wordt gevonden, worden de inwoners van nabijgelegen dorpjes verdacht. De Duitsers nemen enkele van die inwoners gevangen en laten hun als menselijk schild voor de Duitse soldaten uit richting Visé lopen terwijl de soldaten erachter zingend om hun dood vragen. De 80-jarige burgemeester van Berneau kan het tempo niet aan en wordt ter plekke vermoord. Kerff, een inwoner van het gehucht Sinnig, begint een Wees Gegroet te bidden en wordt met twee anderen opgehangen aan bomen langs de weg van Berneau naar Maastricht nadat een officier hem toesnauwde dat de Duitsers geen kogels aan hem zullen verspillen.

Links: herdenking in 1933 bij kruis voor de 3 opgehangenen.
Rechts: Duitse infanteristen in kamp tussen Warsage en Berneau

De gevolgen van de oorlog voor de dorpjes
Uiteindelijk weten de Duitsers de Maas over te steken. Zodra het uit de Krupp fabrieken aangevoerde superkanon, de Dikke Bertha, door de Duitse infanterie is gemonteerd worden de forten één na één aan flarden geschoten. Luik capituleert. Om sneller troepen naar Frankrijk te kunnen transporteren, beginnen de Duitsers na de capitulatie van de forten met de aanleg een nieuwe spoorlijn van Aken naar Luik, waarvoor o.a. het viaduct bij Moresnet door Russische krijgsgevangenen gebouwd werd. Moresnet was overigens tot 1914 een miniatuurstaatje met Esperanto als taal. Na de Eerste Wereldoorlog werd dit staatje samen met gebieden rond de plaatsen Eupen en Malmédy door België geannexeerd. In deze geannexeerde gebieden en in de hierboven genoemde “dorpen der martelaren” werd een streng verfransingsbeleid ingevoerd, hetgeen de kiem legde voor nieuwe (taal)conflicten. De oorlog zorgde voor nieuwe taalgrenzen en ook voor nieuwe cultuurgrenzen. In 1915 kwam er namelijk een elektrische draad tussen België en Nederland om smokkel en vlucht van vrijwilligers uit bezet gebied, om zich bij het Belgische leger aan te sluiten te voorkomen. De grens werd zo een obstakel in de driehoek Aken-Maastricht-Luik, waar voorheen de families zonder probleem aan deze en gene zijde van de grens woonden.
De Belgische vluchtelingen
De gruwelverhalen van mijn ooms zijn dus waar. In de lokale herinnering leven de verschrikkingen van deze oorlog meer dan die van de Tweede Wereldoorlog. De balans is ook heftig. In totaal werden in augustus 2014 in de dorpjes rond Luik meer dan 800 burgers vermoord. Vele duizenden vluchtten naar het veilige Maastricht en Eijsden, waaronder de pastoor van Herve, Voicin, die in Den Haag de rest van de oorlog doorbracht. Hij was niet alleen: zo’n 100.000 Belgen wachtten in het neutrale Nederland het einde van de oorlog af.

Links: Dikke Bertha van Krupp, het Duitse geheime wapen dat voor het eerst op de forten van Luik werd uitgeprobeerd.
Rechts: het 3-landenpunt bij Vaals en Gemmenich dat tot de Eerste Wereldoorlog vanwege Neutraal-Moresnet een 4-landenpunt was.

De rol van de kerk als de oorlog voorbij walst
Ook de rol van de kerk in oorlogstijd is mij duidelijker geworden. De pastoor beschermt zo goed mogelijk zijn parochianen. Hij bidt met hen en probeert onheil zoveel mogelijk af te wenden door de agressor mild te stemmen. Hij begraaft slachtoffers, zonder onderscheid te maken tussen vriend en vijand, en troost de nabestaanden. De zusters van de diverse congregaties in de regio verzorgden de gewonden en maakten daarbij evenmin een dergelijk onderscheid. De kerk kiest geen partij of toch wel: zij kiest voor de mens en bidt voor vrede en hulp. Het is de menselijkheid en het geloof die zo standhouden en hoop geven voor de toekomst. Moed werd getoond door de mensen die doden als Antoine Fonck met gevaar voor eigen leven van het slagveld haalden, en medeleven door de Nederlanders die de Belgische vluchtelingen gastvrij ontvingen. Maar er is ook de les die enkele jaren later in de Tweede Wereldoorlog herhaald wordt, namelijk dat in een leger al snel het slechtste in de mens naar voren komt. De Eerste Wereldoorlog was nog geen twee dagen oud of het Duitse leger, aangezet door alcohol en geruchten over vrijschutters (franctireurs) die in de Duitse pers flink werden aangedikt, was veranderd van een gedisciplineerde groep in een horde wilde beesten.
Wat moeten we hier nu mee?
Zowel de Eerste als ook de Tweede Wereldoorlog zijn al weer lang geleden. De meesten van ons hebben zelfs het geluk gehad van een leven zonder oorlog. De herdenkingen die komende maanden naar aanleiding van de bevrijding in 1944-1945 in Nederland zullen plaatsvinden, confronteren ons weer met de vraag wat wij als christen kunnen doen in tijden van oorlog en bezetting en wat wij kunnen doen als duizenden vluchtelingen uit oorlogsgebied onze hulp vragen. Die vraag is actueel nu verdreven christenen en andere oorlogsslachtoffers uit het Midden-Oosten daadwerkelijk onze hulp vragen. Bieden we dezelfde gastvrijheid als in 1914 of kijken we liever de andere kant op?

Links: de dorpjes Warsage, Visé en Berneau, gelegen tussen het Nederlandse Eijsden en de Luikse fortengordel. Tussen Visé en Eijsden wisten de Duitsers de Maas over te steken waardoor ze konden doorstoten voordat de forten veroverd waren.
Rechts: het herdenkingsmonument in Luik voor de Eerste Wereldoorlog waar in augustus de regeringsleiders de oorlog herdachten.

De komende periode van het 70-jarig jubileum tussen de bevrijding van Nederland vanaf september 1944 tot aan de bevrijding van Amsterdam in mei 1945 vraagt om bezinning en gebed voor de slachtoffers.

Maurice Essers