Amsterdamse katholieke immigranten: van marskramers tot miljardairs

Amsterdam kent momenteel een immigratie die in omvang vergelijkbaar is met die in de Gouden Eeuw. Veruit het grootste deel van de Amsterdammers is niet in onze stad geboren maar elders, soms in een ver land. Tot de immigranten behoort, net als in vorige eeuwen, een grote groep katholieken. In deze bijdrage aandacht voor een groep katholieke immigranten uit Westfalen en Oldenburg die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de katholieke emancipatie die vanaf 1850 plaatsvond. De geschiedenis van deze immigranten gaat terug tot de 17e eeuw, de tijd van de Tachtigjarige Oorlog. Westfalen en Oldenburg, katholieke gebieden die dicht bij het rijke Friesland en Holland lagen, waren door die oorlog verarmd. Veel inwoners trokken uit deze gebieden jarenlang als seizoensarbeider naar onze streken om daar bij boeren en in steden hun arbeidskracht aan te bieden. Rond 1800 kwamen ze als marskramers met een groot pak kledingstoffen op hun rug. Taal was geen probleem want in hun herkomstgebied werd een aan Nederlands verwant Duits gesproken.

Links: Brenninckhof, stamhuis van de Brenninckmeijers en rechts, Sternhof, stamhuis van de Lampes, beide in het Westfaalse Mettingen

Gezegd wordt wel dat deze in Friesland “Lapkepoepen” genoemde marskramerfamilies door hun lange wandeltochten gedisciplineerd, zwijgzaam en zuinig werden. Toen de Friese economie instortte, richtten zij zich steeds meer op Amsterdam, waar ze aan de Nieuwendijk hun kledingdepots en winkels vestigden. Door de opening van het Centraal Station werd de Nieuwendijk in het verlengde van de Kalverstraat een belangrijke winkelstraat. De gebroeders Hermann en Joseph Sinkel waren in 1821 de eersten die daar een winkel begonnen. Zij hadden hun Winkel van Sinkel zo ingericht dat de klanten door de ramen heen de kleding zagen liggen als ze voorbij liepen. Ze hanteerden vaste prijzen en leverden uit voorraad. De winkel werd overgenomen door een medewerker, Anton Povel, een andere Westfaalse immigrant. Niet lang daarna volgden Clemens &

Links: de eerste winkel van Peek & Cloppenburg aan de Nieuwendijk 168-170. Midden: de heren Peek en Cloppenburg. Langzamerhand werden de kledingdepots kledingmagazijnen, zoals het in 1917 geopende “paleis” van Peek& Cloppenburg aan de Dam (rechts)

August Brenninkmeijer (C&A) en de families Peek & Cloppenburg, Voss, Kreijm borg, Lampe, Schmedding, Suren en Hollenkamp. Zij boden in hun winkels confectie, standaardmaten, aan. Het kopen van een kledingstuk ging daarvoor heel anders. Kledingstukken werden op maat en op bestelling gemaakt door kleermakers of (thuis)naaisters. De klant kocht zelf de stof bij een lakenhandelaar of manufacturenzaak en ging vervolgens voor eventuele franje naar een garen- en bandzaak. Met dat materiaal vervaardigde de naaister of kleermaker de kleding ‘op maat’. Door de snel groeiende confectie konden ook armere Amsterdam mers in het nieuw gekleed gaan. De Amsterdamse kledingdepots ontwikkelden zich zo tot innovatieve grote confectiebedrijven en droegen mede door de vestiging van vele naaiateliers bij aan de Amsterdamse welvaart van die tijd. De warenhuizen waren de laatste ontwikkeling in de stijle carriere van deze families. De eveneens oorspronkelijk uit Westfalen afkomstige heren Vroom en Dreesmann stonden aan de wieg van V&D. Anton Dreesmann was begonnen in de stoffenzaak van Bührs op de Nieuwendijk. In 1878 begon hij zijn eigen kleine zaakje in de Tweede Rozendwarsstraat, hoek Rozenstraat in de Jordaan. In 1887 opende hij met zijn katholieke zwager Willem Vroom, die een stoffenzaak op Wittenburg had, een zaak aan de Weesperstraat en was het warenhuis Vroom & Dreesmann geboren.

Links: de Obrechtkerk bij het Museumplein; midden: de gebroeders Clemens en August Brenninkmeijer en rechts: de Dominicuskerk

C&A en V&D zijn in zekere zin katholieke bedrijven gebleven. Bij C&A worden nieuwe winkels nog steeds door een priester ingezegend. Bij V&D werd het kerkbezoek van het personeel (dat aanvankelijk op een etage in het warenhuis zelf logeerde) streng bijgehouden. Allicht hebben sommigen onder ons nog herinneringen aan deze periode. Voor de vestiging van haar warenhuis kocht V&D in de Kalverstraat de Boomkerk van de Franciscanen. Die kerk werd in 1917 afgebroken. Met de opbrengst werd de huidige Boomkerk aan de Admiraal de Ruyterweg gebouwd. De Westfaalse families zijn weliswaar verantwoordelijk voor de sloop van deze kerk, maar hebben dit ruimschoots gecompenseerd met hun bijdragen aan de bouw en instandhouding van andere Amsterdamse kerken. Aanvankelijk waren zij veel te vinden in de Dominicuskerk aan de Spuistraat. Die lag immers dicht bij de Nieuwendijk. Toen zij zich later in de mooie wijken rond Museumplein en Vondelpark vestigden, verhuisden zij naar de Obrechtkerk, die mede door hun giften door de toonaangevende kunstenaars van die tijd werd verfraaid. Met de uitvinding van de auto verplaatste de gemeenschap zich naar rustigere oorden, zoals het Gooi en het duingebied rond Aerdenhout en Wassenaar. Ook daar steunden ze de katholieke kerk, waaronder de St. Vituskerk in Hilversum.

Links: Delphine Marie Povel-Guillot (1839-1898). De familie Povel was eigenaar van de Winkel van Sinkel. Mevrouw Povel nam in 1877 het initiatief voor het eerste katholieke ziekenhuis van Amsterdam, het OLVG. Midden: Nederlands eerste kardinaal, Willem van Rossum bij zijn bezoek aan de Obrechtkerk gedurende het Internationale Eucharistische congres in 1924. De kardinaal logeerde tijdens het congres bij de familie Dreesmann aan het Museumplein. Midden rechts: Ida Peerdeman. Uiterst rechts: het schilderij van de Duitse schilder Heinrich Repke van OLV van Alle Volkeren

In Amsterdam heeft de familie Brenninkmeijer een belangrijke bijdrage geleverd aan de verering van OLV van alle Volkeren, de op basis van de visioenen van de Amsterdamse Ida Peerdeman gebaseerde devotie tot OLV die in de kapel bij het Beatrixpark haar plaats heeft. De kapel werd door één van de dames Brenninkmeijer voor een symbolisch bedrag geschonken aan de paters van het Allerheiligst Sacrament. Op zaterdag 13 oktober 1917 had Ida, nadat ze 's avonds in de Dominicuskerk had gebiecht, haar eerste visioen. Het op haar visioenen gebaseerde schilderij in de kapel bij het Beatrixpark is daarna in het Westfaalse Wiedenbrück door de schilder Repke vervaardigd. Ook aan de Onze Lieve Vrouwekerk is door de Westfaalse families bijgedragen. Zo waren de heren Bönnike en Povel (en hun echtgenoten) lid van het comité dat ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan aan onze kerk een verguld-zilveren monstrans schonk (waarvan een afbeelding in een eerdere bijdrage is afgedrukt) en heeft de oorspronkelijk Westfaalse familie Hafkenscheid een belangrijke rol gespeeld bij de verwerving van de grond waarop de Onze Lieve Vrouwekerk gebouwd zou worden.

Maurice Essers