Amsterdams glorie en welvaren: 400 jaar grachtengordel

Hoewel er in deze maand voor katholieken met de start van het conclaaf en met de Stille Omgang belangrijker nieuws is, wil ik toch stilstaan bij de herdenkingen in Amsterdam in deze tijd van de aanleg van de grachtengordel die 400 jaar geleden begon en die de Gouden 17e Eeuw inluidde. In de 17e en 18e eeuw groeide Amsterdam uit tot een wereldstad. Bezoekers uit alle windrichtingen kwamen de stad bewonderen en berichtten hun landgenoten er vol lof over. De grachtengordel en het nieuwe stadhuis (het Paleis op de Dam) genoten wereldfaam. Dit jaar staat voor Amsterdam in het teken van deze Gouden Eeuw: 400 jaar grachtengordel, heropening van het Rijksmuseum, tentoonstelling over de Gouden Eeuw in het Amsterdam Museum, tentoonstelling over de aanleg van de grachten (“Booming Amsterdam”) in het Stadsarchief aan de Vijzelstraat en troonsbestijging van koning Willem IV met bezoek aan de Nieuwe Kerk en het gerestaureerde Paleis op de Dam. Weer zullen vele duizenden buitenlandse bezoekers onze stad bezoeken om haar 17e eeuwse pracht te bewonderen. Mede omdat de Onze Lieve Vrouwekerk onderdeel is van de grachtengordel, gaat dit nummer over de katholieke bijdrage in de 17e en 18e eeuw aan dit Amsterdamse werelderfgoed.

Boven: prent van de grachtengordel zoals deze rond 1660 tot aan de Leidsegracht gereed was. Te zien is dat Herengracht, Keizersgracht en Prinsengracht nieuw gegraven zijn en dat het straten en grachtenpatroon in de Jordaan het patroon van de oude sloten volgt

De bouw van de grachtengordel ging in 1613 van start tijdens het Twaalfjarig Bestand, een gevechtspauze tijdens de Opstand tegen de Spanjaarden (Tachtigjarige oorlog). Deze uitbreiding van Amsterdam, die mogelijk was door de gevechtspauze en de toegenomen welvaart, was nodig door de komst van vele emigranten. Vanaf de Brouwersgracht werd begonnen met het uitgraven van de Herengracht, Keizersgracht en Prinsengracht tot aan de Leidsegracht en met de verkoop van de opgehoogde kavels. Vanaf 1663 werd de grachtengordel doorgetrokken van Leidsegracht tot aan het IJ. De stad kon zo groeien: waren er in 1600 ongeveer 50.000 Amsterdammers, in 1700 was dat aantal verviervoudigd tot ruim 200.000.

De katholieke Amsterdammers zagen hun stad overspoeld met emigranten, waarvan sommigen het katholicisme fel bestreden. Zo werd in 1624 de Heilige Hoek, de haardstede waar het sacramentswonder had plaatsgevonden, losgebroken en verwijderd. Katholieken werden ook geweerd uit het stadsbestuur. Toch wisten zij zich in deze tijd te organiseren en te manifesteren, o.a. door in 1645 het derde eeuwfeest van het Heilig Mirakel aan te grijpen om de betekenis daarvan voor de economische groei en faam van de stad te benadrukken. De pastoor van het Begijnhof, Marius, en de bekeerling Vondel hebben daarin met hun geschriften een groot aandeel gehad. Beide heren zijn te zien in medaillons aan een huis aan de Nieuwezijdsvoorburgwal (achterkant Begijnhof). Een ander katholiek initiatief uit die tijd dat in deze maand van de Stille Omgang genoemd mag worden was het Caecilia College, een muziekgezelschap dat elke donderdag in een huis aan de Kalverstraat tegenover de Heilige Stede bijeenkwam om het Heilig Sacrament te bezingen.

Links: door Philips Vingboons ontworpen Cromhouthuizen aan de Herengracht met halsgevel. Opdrachtgever Cromhout was een katholiek koopman. Nu is er het Bijbels museum gevestigd. Justus Vingboons is architect van het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal (midden). Rechts: het Bartolottihuis aan de Herengracht naar een ontwerp van weer een andere katholiek architect: Hendrick de Keijser. Amsterdamse kooplieden verklaarden hun rijkdom graag (mede) als een eigen verdienste, zoals te lezen is in het opschrift bij twee cartouches op het Bartolottihuis: "Ingenio et Assiduo Labore" (door vernuft en noeste vlijt) en rechts "Religione et Probitate" (door godsdienst en rechtschapenheid). In werkelijkheid is de rijkdom van Bartolotti overigens gebaseerd op een erfenis van een kinderloze aangetrouwde Italiaanse oom, waardoor het linker deel van het opschrift in een wat ander licht komt te staan.

Feit is dat katholieken niet alleen in de Middeleeuwen (door de komst van pelgrims naar de Heilige Stede) maar ook in de Gouden Eeuw een belangrijk aandeel in de groei en welvaart van Amsterdam hebben gehad. Onder de emigranten waren bijvoorbeeld veel katholieke koop -en vaklieden, zoals de Vlaamse familie Vingboons. Die familie zou met de gebroeders Philips en Justus twee toparchitecten leveren voor de koopmanshuizen die langs de grachten verrezen. Van het stadsbestuur kregen zij als katholieken geen opdrachten en katholieke kerken mochten in die tijd niet gebouwd worden. Het voor die tijd fenomenale project van de grachtengordel bood hen echter voldoende compensatie.

Boven: grachtenhuizen in de sobere classicistische stijl van architect Adriaan Dortsman uit de tweede helft van de 17e eeuw, toen de grachtengordel van de Leidsegracht tot het IJ werd doorgetrokken. In een van zijn ontwerpen (Museum van Loon aan de Keizersgracht) loopt momenteel een tentoonstelling over zijn werk. Voor een overzicht van alle huizen aan de grachten nu en in de 17e eeuw, zie de website: http://www.amsterdamsegrachtenhuizen.info/grachten/kgo/kg01

Ook de bekendste interieurschilder van grachtenpanden, Jacob de Wit, was katholiek. Hij schilderde aan het begin van de 18e eeuw vele deur-, schoorsteen- en plafondstukken voor de huizen aan de twee rijkste grachten, de Heren- en Keizersgracht. Voor de katholieke schuilkerken schilderde hij altaarstukken. In die tijd waren nog diverse andere katholieke kunstenaar aan de grachten actief. Zo zorgde Ignatius van Logteren voor gevelstenen, ornamenten en het beeldhouwwerk in de tuinen van de panden aan de Heren –en Keizersgracht. In de tweede helft van de 17e eeuw kregen katholieken ook weer opdrachten van het stadsbestuur. Zowel de architect van het nieuwe stadhuis op de Dam (Jacob van Campen) als haar voornaamste beeldhouwer (Quellinus) waren bijvoorbeeld katholiek.

Links: de terugkeer uit Egypte, altaarstuk van Jacob de Wit in de schuilkerk Het Haantje. Midden: grisaille van Jacob de Wit boven een deur in een woonhuis aan de Herengracht. Rechts: beeld van Van Logteren in een trappenhuis van een grachtenpand aan de Herengracht.

De katholieke kooplieden hebben de grachten niet alleen gesierd met hun woonhuizen, maar zij waren ook stichters van hofjes in de grachtengordel en in de Jordaan. Het was dus niet alleen “vernuft en noeste vlijt” maar ook “godsdienst en rechtschapenheid” die hen sierde. Het oudste van deze hofjes, het Andrieshofje aan de Egelantiersgracht, is al in 1614 gesticht. Later volgden o.a. het Zevenkeurvorstenhofje en het Swigtershofje, dat is gesticht door de katholieke uitgever Isaac Swigters. De families van de stichters leverden de regenten die deze hofjes eeuwenlang bestuurden. De hofjes beschikten over een eigen kapel, zoals nog te zien is in het Swigtershofje en in het hofje van Occo aan de Nieuwe Keizersgracht. Verder kwamen in de grachtengordel katholieke kerken van Dominicanen (Het Torentje), Augustijnen (De Posthoorn), Jezuďten (De Krijtberg en De Zaaier) en wereldheren (Het Vredesduifje). Het waren schuilkerken die tot in de 19e eeuw niet als kerk vanaf de gracht herkenbaar mochten zijn. Hun opvolgers uit de tijd van de 19e eeuwse katholieke emancipatie (waaronder de OLV-kerk), staan heden ten dage fier aan de grachten als een latere katholieke correctie op de aaneenschakeling van koopmanshuizen en protestantse kerken uit de Gouden Eeuw.

De twee kerken aan de gracht van de Jezuďten, Links: de Krijtberg (Prent van J.L. van Beek, begin 19e eeuw), gelegen in het achterhuis van Singel 448. Rechts: de Zaaier Uitgeknipte details uit de verzamelprent 'De Bloei der R.C. Kerk te Amsterdam.'

Ook het feit dat Marius en Vondel in de 17e eeuw aan het katholieke verleden van het Mirakel van Amsterdam herinnerden, lijkt niet meer dan een kleine correctie in een Gouden Eeuw die zich vooral liet inspireren door de klassieke oudheid. Het ging echter om meer. Mede door deze katholieke steun kon het verdraagzame beleid van het Amsterdamse republikeinse stadsbestuur zich handhaven tegen de gereformeerde kerkenraad die bij het stadsbestuur voortdurend

Midden: brand in de schouwburg aan de Keizersgracht, waardoor (rechts) alleen de toegangspoort behouden bleef

aandrong op maatregelen tegen katholieken. De nieuwe schouwburg aan de Keizersgracht, verfoeid door de gereformeerde kerkenraad, was voor katholieke toneelschrijvers als Vondel en Jan Vos het podium om hun statements te maken en het publiek een spiegel voor te houden.

De kerkenraad sloeg terug door bezwaar te maken tegen (het katholieke karakter van) stukken van Vondel. Zo werd op kerstavond 1637 de inwijding van de schouwburg met Vondels Gijsbrecht van Aemstel na felle protesten uitgesteld. Ook zijn stukken Maria Stuart (1646) en Lucifer (1654) werden van het toneel geweerd.

Dergelijke tegenstellingen uit de tijd van de Gouden Eeuw zijn met het einde van de discriminatie van katholieken en hun emancipatie geschiedenis. Er is geen gereformeerde kerkenraad meer die andere geloven onder de duim houdt, geen protestant die bezwaar maakt tegen een katholieke koningin Maxima, geen katholiek die naar aanleiding van de kroning aan Willem IV een brief zal schrijven dat het tijd wordt dat de Nieuwe Kerk weer, zoals in de tijd van voor de reformatie, een katholieke Onze Lieve Vrouwekerk wordt en er is geen republikein die koning Willem IV een brief zal schrijven opdat het Paleis op de Dam weer stadhuis wordt. De geschiedenis van onze stad leert dat intolerantie, uitsluiting en discriminatie niet tot welvaart maar tot oorlog en andere ellende leidt. De grachtengordel en Amsterdams welvaart lijkt mede te danken aan een wijs bestuur dat zorgde voor een Twaalfjarig Bestand en voor relatieve verdraagzaamheid jegens emigranten en andersgelovigen.

Maurice Essers