160 jaar kerkgemeenschap in de Onze Lieve Vrouwekerk

Het is deze maand honderdzestig jaar geleden dat de kerkgemeenschap in de Onze Lieve Vrouwekerk zich voor het eerst organiseerde. Op 23 januari 1853 werd namelijk het collectantencollege Sint Alfonsus opgericht. De paters Redemptoristen waren toen al aan de Keizersgracht gevestigd: het Redemptoristenklooster was op 5 november 1850 ingewijd. De in 1851 geopende kapel in het klooster had honderd zitplaatsen. In dat openingsjaar werden er in de kapel al meer dan tienduizend communies uitgereikt. Datzelfde jaar werd ook toestemming gegeven voor de bouw van de huidige kerk. Om de periode tot ingebruikname van de kerk te overbruggen werd een houten noodkerk neergezet met vierhonderd zitplaatsen die van 1851 tot 1854 dienst deed. Dat was nodig omdat de kapel al meteen te klein was. In 1852, het eerste jaar van de noodkerk, verdubbelde het aantal communies tot meer dan twee en twintigduizend en in 1855, het eerste jaar van de huidige kerk, waren er al bijna twee en veertig duizend communicanten.

Collectantencollege

Om onder al deze communicanten te collecteren werd een collectantencollege van vijftien mannen gevormd. Van de collectanten van het eerste uur is niet veel bekend. In elk geval was er een zekere heer J.D. van Hasz bij. Hij vierde op 23 januari 1903 zijn vijftig jarig jubileum als lid van het college en hij was later ook penningmeester van de Vincentiusvereniging, de vereniging die in 1857 werd opgericht om armen te ondersteunen. Opvallend is dat toen en nu nog steeds verreweg de meeste leden van het Collectantencollege een lange staat van dienst hebben. Met haar collectantencollege liep de Onze Lieve Vrouwekerk enkele weken vooruit op het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie op 4 maart 1853, het daaropvolgende herstel van het bisdom Haarlem en de oprichting van katholieke parochies en verenigingen. Maar ook na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie bleef de Onze Lieve Vrouwekerk als algemene hulpkerk voor de andere kerken in Amsterdam en als paterskerk een bijzondere positie behouden. De liefde voor het vak van de diverse generaties collectanten blijkt onder andere uit het feit dat de notulenboeken van het collectantencollege (de meeste handgeschreven) vanaf het allereerste begin allemaal bewaard zijn gebleven. Op 23 augustus 1866 werd het eerste reglement van het collectantencollege vastgesteld. Vanaf dan zou het college nog vele honderden keren vergaderen.

Er waren in het begin nog diverse collecten tijdens dezelfde viering. Dat gaf aanleiding tot het voeren van een zekere hiërarchie: de nieuwkomers liepen met de zak aan een lange stok (de zogenaamde zakkenlopers) en de oudere leden hanteerden de schaal. Daarnaast werd er nog plaatsengeld geheven en een bijdrage gevraagd voor de armen en bijzondere noden. Deze drie gaven werden gedeponeerd in bakjes (zie foto boven), die in elke kerkbank stonden en na de viering werden verzameld en afgeleverd in het klooster.

Links: offerte van restaurant De Kroon te Haarlem voor het potverteren. Rechts: het Collectantencollege tijdens een feestvergadering ter herdenking van het 75-jarig bestaan in 1928

Het gezellige samenzijn ontbrak bij het collectantencollege niet. Aan het jaarlijkse potverteren werd ruime aandacht besteed. In de negentiende eeuw was een steeds terugkerend onderwerp op vergaderingen of de dames aanwezig mochten zijn. Voorstellen daartoe sneuvelden meestal. Ook het diner ter gelegenheid van het vijf en zeventig jarig bestaan van het collectantencollege was een zuivere mannenzaak, zo blijkt uit bovenstaande foto. Tegenwoordig is de aanwezigheid van dames een vanzelfsprekendheid. Ook hoeft de voorzitter van het college niet meer (zoals vroeger) met “directeur” te worden aangesproken. Wat wel gebleven is, is dat de kasuitgaven sterk in de gaten worden gehouden, zoals uit de offerte van restaurant De Kroon (linksboven) blijkt. Ook de saamhorigheid is niet veranderd. Uit brieven in de periode 1938-1949 bleek dat opzeggingen met veel spijt gepaard gingen. Bij het honderd jarig jubileum in 1953 zijn er nog diverse felicitaties bewaard gebleven van andere collectantencolleges, waaronder de St. Vincentiusparochie en De Posthoorn.

Het college is altijd betrokken geweest bij de gang van zaken in de kerk en geeft nog steeds gevraagd (en ongevraagd) advies. Die verbondenheid met de kerk komt tot uiting doordat de rector van de kerk ook president is van het college. Groot was dan ook de consternatie bij het college toen bekend werd dat de Redemptoristen in 1985 Amsterdam gingen verlaten en de kerk gesloten en verkocht zou worden. Samen met het Alphonsuskoor en het Acolietencorps heeft het college toen krachtig haar stem laten horen door hiertegen te protesteren. Leden van het college hebben actief deelgenomen aan de bezetting van de kerk. Samen met de priesters van het Opus Dei heeft het college de draad sindsdien weer opgenomen en haar taken uitgevoerd.

In de loop der jaren is het college breder inzetbaar geworden. De hoofdtaken zijn nu het inzamelen en afdragen van collectegelden, het uitgeven en innemen van zondagsmissaals, het beheer van aanwijzingsborden voor de missaals en het toezicht houden in de kerk, indien nodig het verrichten van altaardiensten en het dragen van het baldakijn tijdens de Sacramentsprocessie. Het college is er ook trots op dat tenminste één lid het tot het priesterschap heeft gebracht. Ook zijn collectanten wel eens de vraagbaak voor bezoekers van de kerk. Daarom draagt de collectant die dienst doet achter in de kerk een badge.

Broederschappen

Aan het collectantencollege is hier vanwege het jubileum extra aandacht besteed, maar het college is maar een klein deel van het verenigingsleven dat aan de kerkgemeenschap verbonden is (geweest). De Onze Lieve Vrouwekerk was een echte Redemptoristenkerk met de vele bijbehorende devoties, verenigingen en “oefeningen van Godsvrucht”. Zo werd op 13 februari 1853 (drie weken na de oprichting van het collectantencollege) met toestemming van de pauselijke nuntius de eerste vergadering van de aartsbroederschap der Heilige Familie in de Onze Lieve Vrouwekerk gehouden. De aartsbroederschap was een ongekend succes. In 1853 waren er al meteen 240 leden. Het was een indrukwekkende organisatie. Tijdens de processies ter gelegenheid van jubilea ging het vaandel der H. Familie voorop, gevolgd door prefecten en onderprefecten, koorknapen met schilden, zilveren jubilarissen, het vaandel van OLV Vrouw van Altijddurende Bijstand, weer koorknapen met schilden (Blijde en droevige geheimen van de Rozenkrans), het vaandel van de H. Alfonsus, koorknapen met schilden (Glorievolle geheimen van de Rozenkrans), opnieuw onderprefecten en prefecten en zilveren jubilarissen, edelknapen, gouden jubilarissen, heren secretarissen met de eerwaarde bestuurder en de bisschop van Haarlem.

Na verloop van tijd werd de broederschap met duizenden leden te groot. In 1909 werden daarom afzonderlijke afdelingen in vijf andere Amsterdamse kerken opgericht. Dat de aartsbroederschap in 1876 concurrentie kreeg van de broederschap van OLV van Altijddurende Bijstand had de groei niet gestuit. De verering van OLV van Altijddurende Bijstand begon in de Onze Lieve Vrouwekerk met de plaatsing van de icoon in 1868. Vier jaar later werd de beeltenis van Maria op deze icoon gekroond en in 1876 werd de broederschap van OLV van Altijddurende Bijstand opgericht. Binnen een week meldden zich 1.000 leden aan. Elke zaterdagavond werd een Mariaoefening gehouden gevolgd door Broederschapslof met preek. In 1881 startte de Broederschap de jaarlijkse bedevaart vanuit de Onze Lieve Vrouwekerk naar de kapel OLV in ’t Zand in Roermond.

De broederschappen zijn er niet meer in de Onze Lieve Vrouwekerk (al kunt u er onder andere de door de aartsbroederschap geschonken glas-in-loodramen nog steeds bewonderen).

De meeste kerkgangers zullen vroeger aan de grachten en in de Jordaan gewoond hebben. Het leven in de Jordaan was vooral in de jaren voor de wederopbouw soms hard. Links: interieur van een krotwoning in de Tweede Looiersdwarsstraat, 1928. Rechts: hoek Palmstraat tijdens het Jordaanoproer, 1934

St. Alphonsuskoor

Verenigingen die wel nog actief zijn in de Onze Lieve Vrouwekerk zijn die van de misdienaars en acolieten en het St. Alphonsuskoor. Al in de noodkerk was een zangkoor actief. Van een organisatie in een vereniging lijkt toen echter nog geen sprake te zijn geweest. Bij de overgang naar de huidige kerk kwam daar verandering in. Anton Hafkenscheid werd toen de eerste directeur van het koor, dat bestond uit 5 mannelijke leden. Tegelijk met de oprichting van de Gregoriusvereniging in 1876 werd in Amsterdam de daaraan verbonden hervorming van de kerkmuziek ter hand genomen. De jonge pater Haagh (1857-1919) ging er een cursus voor volgen aan het Gregoriushaus in Aken en voor de koorbibliotheek werden diverse nieuwe werken aangekocht. In 1881 werd het koor aangesloten bij de Gregoriusvereniging. Deze aansluiting in 1881 wordt als de datum van oprichting van het Alphonsuskoor beschouwd.

Het niveau van het koor steeg snel. De Redemptoristen waren nou eenmaal een muzikale congregatie. De stichter, de H. Alfonsus, musiceerde en componeerde al liederen en ook diverse Amsterdamse Redemptoristen zouden uitgroeien tot bekende componisten. Pater Jacob Bogaerts (1850-1923) componeerde in 1903 bijvoorbeeld een kerstcantate, die was gebaseerd op het aan de H. Alfonsus toegeschreven kerstliedje “Tu scendi dalle stelle”. Ook is hij de componist van een loflied op de H. Alfonsus “Lied zum heiligen Vater Alfonsus”. Deze pater Bogaerts was van 1884 tot 1894 directeur van het Alphonsuskoor. Het koor zong toen gregoriaans en klassieke polyfonie, maar ook muziek van de aan de Onze Lieve Vrouwekerk verbonden paters, zoals pater Haagh wiens muziek in Duitsland werd uitgegeven en tot in Amerika bekend was. Ter gelegenheid van de 100ste sterfdag van de H. Alfonsus componeerde hij een Jubellied en ook bij de zaligverklaring in 1888 van Clemens Hofbauer componeerde hij een lied.

In 1894 nam een leek, Hubert Cuypers, het roer over en daarmee brak de echte glorietijd van het Alphonsuskoor aan. Ook Cuypers componeerde veel kerkmuziek, waaronder een Ave Maria. Het Alphonsuskoor gaf in die tijd uitvoeringen in het Concertgebouw en het Amsterdams Conservatorium en trad op tijdens de algemene vergadering van de Gregoriusvereniging. Er werden achtstemmige werken opgevoerd, waaronder het “O Doctor” van pater Haagh dat in 1887 bij het eeuwfeest van de H. Alfonsus in de Onze Lieve Vrouwekerk werd gezongen. Het koor was toen een mannen- en knapenkoor. Pas later, onder de in 2012 overleden dirigent Anton van Dalen, zou het een gemengd koor worden. Gerepeteerd werd in de Alfonsuszaal aan de achterzijde van de kerk (Prinsengracht). In 1911 werd Hubert Cuypers opgevolgd door broeder Anselmus. Voor zijn intreding in 1906 was deze broeder een bekend pianist, die als solist met het Concertgebouworkest optrad. In 1913 vertrok hij naar Paramaribo, waar hij als organist werkte en het aan de kathedraal verbonden Alphonsuskoor leidde.

Links: het jongenskoor met een jonge Hubert Cuypers, rond 1900. Rechts: Cuypers met onder zijn bekendste compositie, een Ave Maria. Van 1924 tot 1955 was Cuypers verbonden aan de Agneskerk in Amsterdam, waar een plaquette nog aan hem herinnert

Met gepaste trots mag onze kerkgemeenschap, waaronder het Collectantencollege en het St. Alphonsuskoor, bij dit 160-jarig jubileum op het verleden terugkijken. Maar ook op haar eigen prestaties mag de huidige kerkgemeenschap trots zijn. In een periode dat veel kerken werden gesloten, heeft zij de Onze Lieve Vrouwekerk voor de katholieke eredienst weten te behouden. Nog steeds zijn er elke week vele vrijwilligers als acoliet, misdienaar, schoonmaker, lector/lectrix, koster, kerkwacht, zanger en zangeres van het koor, organist, collectant, gastvrouw en wat al niet meer in de kerk en het Ontmoetingscentrum actief om samen met de priesters niet alleen te zorgen voor een prachtige H. Mis op zondag, maar ook voor missen en activiteiten op de andere weekdagen. Ook de bedevaarten naar Kevelaer en Jeruzalem worden door vrijwilligers van de Onze Lieve Vrouwekerk georganiseerd. Zowel voor reisleiding, priesters, misdienaars en (soms) een organist wordt dan elk jaar weer vanuit de Onze Lieve Vrouwekerk gezorgd. Op 23 januari a.s. wordt met een H. Mis het jubileum van het Collectantencollege gevierd. Daarbij wordt herdacht dat de Onze Lieve Vrouwekerk al tientallen jaren met haar priesters en kerkgangers een baken van katholicisme in Amsterdam vormt. In de voorbeden kunnen dan de vele voorgangers herdacht worden waaronder de kerkgangers van het eerste uur, zoals de collectant Van Hasz en de zanger Hafkenscheid. We zullen die dag aan hen en de vele anderen denken die met hun inzet de Onze Lieve Vrouwekerk van generatie op generatie hebben bewaard.