DEUS CARITAS EST

In de huidige tijd is sociale zorg een overheidstaak. Vroeger waren behoeftigen afhankelijk van goede werken, waarbij aan Christus boodschap gehoor werd gegeven: Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “”Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed?” De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.”

Vlnr: de zeven werken van barmhartigheid. Dit veelluik uit 1504 hing ooit in het Heilig Geest-gasthuis en de St. Laurenskerk in Alkmaar. Het behoort nu toe aan het Rijksmuseum in Amsterdam, maar is momenteel uitgeleend aan het Rotterdamse Boymans Museum

Het Rijksmuseum heeft een veelluik dat de zeven werken van barmhartigheid (Caritas) uitbeeldt: de hongerigen en dorstigen voeden, de naakten kleden, de doden begraven, gastvrij zijn voor reizigers, zieken bezoeken en gevangenen troosten. Wie goed kijkt ziet op elk van de schilderijen onder de toeschouwers een in grijs gewaad gehulde man: Christus. De schilder laat zo zien dat Christus onder ons is als we goede werken verrichten. In de tijd dat dit schilderij gemaakt werd (rond 1500) waren er in Amsterdam vele gasthuizen en kloosters van waaruit dergelijke werken van barmhartigheid werden verricht. In De Nes lag bijvoorbeeld het St. Pietersgasthuis met een ziekenzaal voor arme reizigers en pelgrims. Het pesthuis waarin Cellebroeders pestlijders verzorgden was een uitbreiding van dit St. Pietersgasthuis. Twee gevelstenen in het steegje Sint Pieterspoort in De Nes herinneren er nog aan.

Links: Cellebroedersklooster bij het Rokin. Cellebroeders verzorgden niet alleen pestlijders, maar ook geestelijk gestoorden. Verder zorgden zij voor begrafenissen. Rechts: kort voor de Reformatie preekte pater Brugmans (“praten als Brugman”) in Amsterdam de inkeer

De armenzorg was in de Middeleeuwen in belangrijke mate katholiek geïnspireerd. Broederschappen, parochies en vermogende families speelden daarbij een rol. Een deel van de collectes werd aan armenzorg besteed. Die armenzorg kon bestaan uit het uitdelen van geld, voedsel, kleding en het bieden van onderdak in gasthuizen. Na de hoogmis werd in kerken voedsel en kleding uitgedeeld (dit doet denken aan de Syrisch Orthodoxen die na hun Mis brood uitdelen). De gasthuizen boden onderdak aan armen, zieken, reizigers en bejaarden. Zij werden beheerd door kerken, broederschappen en regenten. Het St. Pietersgasthuis werd gefinancierd door schenkingen en via collectebussen die in de Amsterdamse herbergen hingen. Ook kreeg het gasthuis een deel van de opbrengsten van de stadskraan. Veel gasthuizen hadden, net als de vele kloosters in Amsterdam, een eigen kapel.

Links: het Sint Jorisgasthuis, waarin (net als in het Heilig Sacramentsgasthuis en het Elisabethgasthuis) bejaarden werden verzorgd. Het OLV Gasthuis aan de Nieuwendijk (midden en rechts) en het St. Pietersgasthuis aan het Rokin verpleegden zieken

Links: optocht van lepralijders door de stad. Deze optochten vonden in de Middeleeuwen elk jaar op koppermaandag plaats om geld in te zamelen voor het Sint Nicolaasgasthuis (midden), dat aan het huidige mr. Visserplein lag. Daarnaast trokken zij eenmaal per week door de stad met hun klep, eveneens om aalmoezen in te zamelen. Koppermaandag is de eerste maandag na Driekoningen. Tot in de 19e eeuw werden Koppermaandagprenten aan relaties gestuurd als geschenk. Die prenten waren een voorloper van kerstkaarten. Rechts: Haesje Claes. Zij was niet alleen betrokken bij de stichting van het weeshuis maar ook bij die van het Amsterdamse Oudemannenhuis

Het eerste weeshuis werd in Amsterdam door Haesje Claes gesticht. Haar naam leeft voort in het bekende restaurant aan de Spuistraat. Haar weeshuis werd na de reformatie verplaatst naar het voormalige Luciënklooster, dat zo het Burgerweeshuis (thans Amsterdam Museum) werd. Na de reformatie werden de gasthuizen en kloosters gesloten. Een deel van de kloosters aan het huidige Binnengasthuisterrein behield echter een functie als ziekenhuis. Na de verhuizing in de 20ste eeuw werd dit het AMC. Het OLV Gasthuis is de voorloper van het OLVG in Amsterdam-Oost. In de 17e en 18e eeuw ontstonden de katholieke weeshuizen en hofjes als nieuwe vormen van caritas. Het eerste van deze hofjes was het Sint Andrieshofje aan de Egelantiersgracht, dat in 1617 werd gesticht door de Amsterdamse koopman Jan Oly. Er kwam in 1623 een kapel bij, de eerste echte Amsterdamse katholieke kerk na de reformatie. Het hofje bleef in de familie tot aan de vier kleinkinderen: Johannes en Cornelis werden advocaat. Zij trouwden niet. Margaretha werd klopje en Anna begijn. Anna bepaalde als laatst levende dat het Andrieshofje steeds door twee vrouwen bestuurd moest worden die moesten worden gekozen onder toezicht van de pastoor van de Begijnhofkapel. Ook het R.C. Oude-Armenkantoor (RCOAK) is in het begin van de 17e eeuw ontstaan, evenals het Maagdenhuis aan het Spui uit 1626. In 1664 kwam er aan de Lauriergracht een katholiek weeshuis voor jongens. Voor de door het RCOAK bedeelde armen werden vier keer per jaar collectes in de katholieke schuilkerken gehouden: voor het feest van Kruisverheffing, in de dagen rond Kerst, bij het begin van de Vasten en in de pinkstertijd. Uit de inkomsten werd voedsel gekocht. In het hotel The Dylan aan de Keizersgracht (niet ver van onze kerk) kunt u nog de oude broodovens van het RCOAK zien. Maar er werd ook geld aan armen uitgekeerd. Deze bedeling werd door het RCOAK in bedelingsboeken bijgehouden. Met de oprichting van parochiale armenbesturen in 1920 is aan de bedeling van katholieke Amsterdammers door het RCOAK een einde gekomen. Het RCOAK is nu een charitatief vermogensfonds, dat werkzaam is vanuit het hofje met de naam “Liefde is het Fondament”. Het hofje ligt aan de Keizersgracht tussen RCOAK en OLVK kerk.

Links: bestuurskamer van het RCOAK. Aan de wand panelen met familiewapens van regenten. Boven de schouw een schilderij van Jacob de Wit (“Het penningske van de weduwe”). Rechts: toegangspoort tot het Swigtershofje met boven de poort de tekst: Beatus qui intelligit super egenum & Pauperum (psalm 41: “gelukkig ben je als je je inzet voor de zwakken. Want kom je zelf in nood, de Heer zal je redden.”

De katholieke hofjes waren meestal bestemd voor alleenstaande mannen of vrouwen. De stichters werden herdacht in de naam van het hofje, in gedenkstenen in de gevel en in portretten en gedachtenistafels in de regentenkamer. Katholieke hofjes in Amsterdam in de 17e-19e eeuw waren het St. Andrieshofje, Liefde is ’t Fondament (ook wel Claes Reiniershofje genoemd), Hamershofje, Zevenkeurvorstenhofje, Hofje van Occo, Swigtershofje, Moenshofje, hofje “Geloof, Hoop en Liefde”, Van Brienenhofje, nieuwe Suykerhofje, Regenboogsliefdehofje, het Lindenhofje, St. Barbarahofje en de Bouwershuisjes.

Elk hofje had een kapel. Links: kapel van het Swigtershofje. Midden: kapel van het Occo hofje. Rechts: kapel van het Nieuwe Suykerhofje

Links: het St. Andrieshofje. De grond voor het hofje werd gekocht door de Amsterdamse koopman Jan Janz. Oly, die beweerde af te stammen van Gerard van Velsen, de moordenaar van Floris V. Met dit werk van barmhartigheid loste hij de penitentie in van diens biecht. Het Andrieshofje was voor “behoeftige Roomschgezinde Vrouwspersoonen”. Rechts: het Zevenkeurvorstenhofje met pomp en kapel

Congregaties van broeders en zusters namen het liefdewerk (ziekenzorg en onderwijs) over van regenten. Zo namen de Tilburgse Zusters van Liefde de zorg voor de wezen in het Maagdenhuis op zich. Door hen werd ook (het Roomsch Catholijk Gesticht van Liefde) St. Bernardus gesticht. In 1851 stichtten pater Frentrop van De Krijtberg en pastoor Hesseveld de Congregatie der Broeders van O.L.V. van Zeven Smarten en in 1852 werd door diezelfde pastoor Hesseveld de Congregatie der Arme Zusters van het Goddelijk Kind gesticht, waardoor ook Amsterdam haar congregaties kreeg. Deze broeders van Amsterdam namen de zorg voor het jongensweeshuis aan de Lauriergracht van de Broeders van Maastricht over. Ook in het onderwijs speelden de congregaties een belangrijke rol. De Zusters van Liefde startten op 18 juli 1841, de feestdag van de H. Vincentius, aan de Elandsgracht de R.C. Godsdienstige Bewaarplaats voor arme en minvermogende kinderen. Een jaar later werd aan de Elandsgracht door de zusters begonnen met lager onderwijs. Behalve deze congregaties waren toen ook de Vincentiusvereniging en de in 1841 vanuit De Krijtberg opgerichte ‘Vereeniging tot Weldadigheid van de Allerheiligste Verlosser' in het Amsterdamse katholieke onderwijs actief. Naast het onderwijs voor kinderen, kwam er vorming voor jongeren en volwassenen. In 1876 werd voor jonge katholieke arbeiders van de St. Jozefgezellenvereniging aan de Stadhouderskade het Van Nispenhuis geopend en vanuit de OLV Kerk was vele jaren de broederschap van de H. Familie actief in de vorming voor gezinnen. Onze kerk heeft twee glasramen die door de mannen-en vrouwenafdelingen van de broederschap aan haar zijn geschonken.

Links: het Van Nispenhuis aan de Stadhouderskade met rechts het Rijksmuseum. Rechts: ontwerp voor een raam voor de OLV kerk

Behalve de zorg voor wezen en het onderwijs stond ook de ziekenzorg hoog op de agenda van de congregaties. Het initiatief om te komen tot een Amsterdams katholieke ziekenhuis, het Onze Lieve Vrouwegasthuis, werd in 1877 genomen door de dames Povel-Guillot en Wehrij-Maseland. Met steun van de bisschop van Haarlem (mgr. Snickers) en de deken van Maastricht (mgr Rutten) namen de Maastrichtse Zusters Onder de Bogen er vele jaren de zorg voor zieken op zich.

Links: pastoor Hellemons, stichter van de Broeders van St. Louis met vader Vincentius, de eerste overste van Saint Louis, 1870.
Midden: Delphine Marie Povel-Guillot (1839-1898). De Amsterdamse familie Povel was eigenaar van de winkel van Sinkel, het eerste Nederlandse warenhuis.
Rechts: bedeling vanuit de Vincentiusvereniging

Door de sociale wetgeving is het katholieke liefdewerk verdrongen uit de zorg en het onderwijs. De vele liefdadigheidsinstellingen die Amsterdam kende, hebben hun katholieke karakter verloren en de congregaties zijn vrijwel uit de stad verdwenen. Geloof en liefde blijven echter het fundament van het katholicisme. God blijft onder ons waar liefdewerken worden verricht (Deus Caritas est).

Links: de Zusters Onder de Bogen in de oude kapel van het OLVG. Midden: langs de deuren voor de “Gasthuispenning”, de penning waarmee de bouw van het OLVG gefinancierd werd. Rechts: de ingang van het OLVG voor de nieuwbouw.

Maurice Essers