De Voorzienigheid

Toen ik in de Hazenstraat, één van de dwarsstraatjes in de Jordaan, woonde liep ik regelmatig Nelis Vogelenzang tegen het lijf. Nelis is een zwakzinnige bewoner van een tehuis, die door bewoners van de Hazenstraat is aanvaard als hun “burgemeester”. Hij vindt er overal een open deur en maakt er graag een praatje. Van sommigen krijgt hij zakgeld waar hij dan een beer of petje van koopt; aan anderen deelt hij ambtshalve bekeuringen uit.

Links boven: Nelis met zijn voormalige ‘ambtscollega’ Job Cohen. Rechtsboven: het jongensweeshuis en links het Aloysiusgesticht aan de Elandsstraat

Nelis woonde vroeger in De Platanen, een tehuis voor zwakzinnigen in het vroegere katholieke jongensweeshuis aan de Elandsstraat. Hij blijft ook na zijn verhuizing naar tehuizen elders in de stad, met het openbaar vervoer naar de Jordaan komen. Dit katholieke jongensweeshuis in de Jordaan is wat minder bekend dan het vroegere weeshuis voor katholieke meisjes, het Maagdenhuis, aan het Spui. De beide weeshuizen hadden een belangrijke functie in tijden waarin armoede en besmettelijke ziektes onze stad teisterden en het stadsbestuur weinig voorzieningen bood. Aan de kinderen werd door hun zorg en onderwijs een toekomst geboden, die zij anders niet hadden gehad. Het Maagdenhuis werd geleid door de Zusters van Liefde, het jongensweeshuis door de Broeders van Maastricht. Rond 1900 was de heer Bartelsman, die ook wel de ‘kindertjesdief’ werd genoemd, werkzaam voor het Maagdenhuis. Hij onderhield contacten met de parochiegeestelijkheid en kwam bij veel gezinnen. Hij rapporteerde het katholieke armenbestuur over de financiële en maatschappelijke behoefte van gezinnen.

Links: Christus en de behoeftigen, schilderij (1889) van C.F. Philippeau dat in het Maagdenhuis hing. Op het schilderij zijn twee meisjes te zien in de dracht van de Amsterdamse katholieke weesmeisjes. Behalve de twee wezen zijn een gewonde soldaat, een gevangene, een blinde, een zieke, een waanzinnige, een moeder met een dood kind, een weduwe en ouden van dagen te zien. Rechts: de binnenplaats van het jongenshuis met links de jongens en rechts de meisjes van het Maagdenhuis ter gelegenheid van het bezoek van kardinaal Van Rossum

Sommigen kwamen er als baby, anderen op oudere leeftijd. Herinneringen van de weesmeisjes zijn verzameld in het boek “Vele vaders en moeders”:

Mijn moeder was op sterven na dood toen ze haar in het ziekenhuis vroegen wat er met de kinderen zou moeten gebeuren. Ik was dertien jaar. Op een dag kwam juffrouw Roelvink mij ophalen. Mijn broertjes moesten naar het Jongensweeshuis. We vonden het heel erg om gescheiden te moeten worden. We spreken nu nog wel eens over die zwarte dag. Toen we op het kantoor kwamen, zei juffrouw Roelvink moeder tegen een zuster. Wat raar, dacht ik. Is haar moeder hier zuster? Je werd dan naar een zaal gebracht en je kreeg andere kleren. Ik huilde erg. Je stond helemaal alleen tussen die vreemde kinderen. Een meisje zo oud als ik zei tegen me: ‘het heeft helemaal geen zin dat je huilt, zet je d’r maar overheen, dat is het beste voor je. We hebben allemaal hetzelfde meegemaakt. Doe maar gewoon mee.’ En dat heb ik gedaan, van mijn dertiende tot mijn zeventiende jaar. Ik heb in het Maagdenhuis geen nare tijd gehad. Ik vond overal wel een foefje op. Maar ik vond het erg om tegen de overste moeder te moeten zeggen. Ik had een hele goeie moeder gehad, al was zij dikwijls ziek.”

Links: de ziekenboeg van het Maagdenhuis (1930). Midden de linnenkamer (1920) en rechts de prachtige kapel van het Maagdenhuis

Bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd, en later al op jongere leeftijd, werden de meisjes in een gezin geplaatst voor een dag- en nachtbetrekking, in bijna alle gevallen buiten Amsterdam. De gezinnen werden zorgvuldig uitgezocht door Maartens, de directeur van het katholieke jongensweeshuis. Maartens rapporteerde over de uitbestedelingen aan regenten en Moeder Overste. Ondanks dit toezicht is in de praktijk door de heer des huizes toch nogal eens van de meisjes misbruik gemaakt, zo blijkt uit het boek met hun verhalen. De meeste Amsterdamse katholieke liefdadigheidsverenigingen zijn minder oud dan de beide weeshuizen. Pater Arnold Frentrop, een Amsterdamse Jezuďet van ‘de Krijtberg’, stond in 1841 aan de wieg

Links: kapel van het Jongensweeshuis, midden: de eetzaal en rechts de kleuterklas van het Jongensweeshuis

van de Vereeniging tot Weldadigheid van den Allerheiligsten Verlosser, die samen met de uit dezelfde periode daterende Vincentiusvereniging vele Amsterdamse katholieke scholen stichtte. Zo ontstond in 1846 via de Vereeniging tot Weldadigheid het Aloysiusgesticht in de Elandsstraat tegenover het jongensweeshuis. Even verderop in de Elandsstraat ligt het complex De Voorzienigheid. De Zusters van De Voorzienigheid zijn een Amsterdamse congregatie, gesticht door pastoor Hesseveld (1806-1859). Zij namen rond 1900 het jongensweeshuis van de Broeders van Maastricht over. Hesseveld was begaan met de arme, verwaarloosde Amsterdamse jeugd en kwam zo tot het oprichten van het "Gesticht der Voorzienigheid" en van de Congregatie der Arme Zusters van het Goddelijk Kind. In 1851 begon Hesseveld ook de broedercongregatie "Broeders van O.L. Vrouw van Zeven Smarten" ofwel de Broeders van Amsterdam. Vanuit het zusterhuis werd in 1874 aan de Egelantiersgracht een nieuw katholiek liefdewerk opgericht met de naam 'Oud Papier', dat bij wijze van werkverschaffing oud papier ophaalde. De opbrengsten van de verkoop van dit oud papier werden gebruikt om katholieke instellingen financieel te ondersteunen. "Liefdewerk oud papier” werd zo bekend dat het een door heel Nederland gebruikte uitdrukking werd voor het leveren van een onbetaalde dienst.

Links: Elandsstraat, achterzijde van De Voorzienigheid; midden: voorzijde van De Voorzienigheid.
Rechts: het zusterhuis aan de Egelantiersgracht 143-157 met het gebouw van Liefdewerk Oud Papier

Sexualiteit is in de instellingen in zekere zin altijd een probleem geweest. Met de 'Vereniging voor Eer en Deugd’ probeerden de Zusters van de Voorzienigheid op dit gebied in het jongensweeshuis de orde te handhaven. Het oordeel over de katholieke congregaties kan na het bekend worden van de misbruikzaken niet meer eenduidig zijn. Zeker, er is door de vele broeders en zusters veel goed werk gedaan in onderwijs, jeugdzorg, armenzorg, gezondheidszorg, gehandicap-tenzorg en bejaardenzorg. In bijna iedere katholieke familie zijn daarvan voorbeelden te vinden en het goede gevoel daarbij blijft overheersen. Bij het beschermen van hulpbehoevenden hebben we echter soms gefaald doordat enkele zieke personen hun gang hebben kunnen gaan. Het is m.i. onjuist om nu te volstaan met het aanwijzen van zondebokken. Het gaat niet alleen om de daders, zoals de betreffende paters of mannen in gezinnen waarin weesmeisjes werden geplaatst. De hele katholieke gemeenschap moet hieruit een les trekken, ook de ouders van misbruikte kinderen die de schuld soms bij het kind legden, leidinggevenden die ervan wisten en onvoldoende ingrepen en de omgeving die signalen negeerde. We zullen er met zijn allen van moeten leren en ervoor moeten waken dat deze zaken (die overigens net zo vaak in andere instellingen plaatsvonden als in katholieke instellingen) niet meer gebeuren. De huidige generatie bisschoppen geeft een goed voorbeeld door aandacht te besteden aan de slachtoffers en door naar hen te luisteren. Het Bisdom Haarlem-Amsterdam heeft op 22 juni 2012 een brief gepubliceerd waarin een aantal maatregelen wordt aan-gekondigd om nieuwe zaken te voorkomen. Ook in de preken in onze kerk is afgelopen jaar meer dan eens op waardige wijze stilgestaan bij de slachtoffers. Hun leed erkennen en voor-zorgsmaatregelen nemen voor de toekomst is wat we kunnen en moeten doen.

Maurice Essers