Amsterdam - Rome (II)

In het eerste deel van Amsterdam-Rome is bericht over de controverse tussen rooms-katholieken en de Oude Clerezij (later oud-katholieken genoemd) en het herstel van de bisdommen door de Oude Clerezij.

Toediening van het Vormsel door Brancadoro in de H. Joannes en Ursula (links) en in de kerk van het Maagdenhuis (rechts) op 8 juni 1792 door de nuntius Brancadoro (rechts)

Ook de Amsterdamse rooms-katholieken wilden hun bisschop terug, maar dat lag een stuk moeilijker omdat ze daarvoor Rome niet wilden verloochenen. Wel verbeterden geleidelijk de verhoudingen met het protestantse bestuur. Hierdoor kon de pauselijk nuntius Brancadoro in 1792 Amsterdam bezoeken en in vijf katholieke kerken het Vormsel toedienen. Dat was nodig, want in deze periode van Hollandse Missie (1723-1853) werd de Hollandse katholieke kerk wel die van de vijf sacramenten genoemd, omdat haar priesters in het buitenland moesten worden gewijd en er het Vormsel niet kon worden toegediend omdat er geen bisschoppen waren.

De verhoudingen tussen Rome en het protestantse bestuur verbeterden omdat in de tijd vlak voor de Franse revolutie ook in Nederland een revolutionaire geest heerste. Het bestuur wilde de katholieken, waarvan velen hoopten dat met een revolutie een einde zou komen aan hun discriminatie, aan zich binden. In de voorhoede van revolutionairen stonden Amsterdamse priesters. Dat leidde in 1787 tot een felle reactie van Oranjegezinden, waarbij ramen van Amsterdamse katholieken werden ingegooid. Rome toonde begrip voor het protestantse bestuur en schaarde zich niet achter de revolutionaire eisen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. De nuntius steunde in een brief van 1794 zelfs een oproep tot bewapening en geldinzameling tegen de oprukkende Fransen. Na protest van Amsterdamse pastoors, drong de pauselijk nuntius niet op afkondiging van die brief in Amsterdam aan. Veel katholieken betuigden hun spijt van zo’n Oranjeklant twee jaar eerder het Vormsel te hebben ontvangen. Later dat jaar trokken de Fransen via de Weesperpoort Amsterdam binnen en koos de nuntius het hazenpad. Katholieken, joden en doopsgezinden traden tot het Amsterdamse stadsbestuur toe. In de Nationale Vergadering in Den Haag nam de tot het katholicisme bekeerde Amstelveense advocaat Ploos van Amstel het voortouw tot de afschaffing van de bevoorrechte positie van protestanten: “Het is u bekend dat de Roomsch-Catholieken bovenmate in die verdrukking hebben moeten deelen: de hatelijke en tot op den huidigen dag nog onherroepene Placaten zullen daarvoor een onbetwistbaar bewijs opleveren. Hunne bidplaatsen worden tot op het oogenblik dezer laatste omwenteling nog met den naam van kerkschuren bestempeld; maar Burgers Representanten, ik zal voor dit alles een zwart gordijn trekken!”

De geest was uit de fles. Er mochten weer katholieke kerken gebouwd worden en er kwamen katholieke tijdschriften. De pastoor van de Amsterdamse Catharinakerk verzocht de Nationale Vergadering zelfs om een bisschop te mogen kiezen. Die stemde daarmee in, maar Rome stond niet te popelen om in samenwerking met deze revolutionaire vergadering een bisschop te benoemen. Wel werden de onderhandelingen met Rome gestart. Gedacht werd aan een aartsbisdom Amsterdam. Met de nederlaag van Napoleon en de terugkeer van de Oranjes verdwenen deze plannen voorlopig in de ijskast, maar de gelijkstelling van katholieken kon niet worden teruggedraaid.

In 1827 werden de onderhandelingen met Rome over het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie hervat. De Nieuwmarkt werd als locatie voor een nieuw te bouwen kathedraal genoemd. Het nabijgelegen Trippenhuis zou als bisschoppelijk paleis dienen, en het Maagdenhuis als seminarie. Er kwamen zelfs bouwtekeningen, die later voor het ontwerp van de huidige Mozes en Aaronkerk gebruikt werden. De Belgische Opstand brak echter in 1830 uit en ook deze plannen verdwenen in de ijskast. Pas in 1851 werd opnieuw door vooraanstaande Hollandse katholieken een verzoek aan Rome gedaan om de bisschoppelijke hiërarchie te herstellen. De pauselijk nuntius in Den Haag, mgr. Belgrado, besprak dat verzoek met de Nederlandse regering, waarna met de breve Ex qua die arcano van 4 maart 1853 door paus Pius IX na meer dan 250 jaar weer bisdommen werden ingevoerd. Niet Amsterdam, maar Utrecht kreeg de aartsbisschoppelijke zetel en ook het bisdom Haarlem werd in ere hersteld. De Amsterdamse schuilkerken werden parochiekerken en kregen een kerkbestuur.

De bekendste Amsterdamse katholiek uit die tijd, Jan Roothaan, maakte het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie nog net mee. Jan was opgegroeid in de Laurierstraat en was misdienaar van De Krijtberg; hij overleed twee maanden later in Rome. Hij had het daar geschopt tot Generaal Overste van de Jezuïeten, en wordt wel als tweede stichter gezien van de Rome-getrouwe orde die in 1816 weer werd toegestaan. Tot heiligverklaring van Roothaan is het nog niet gekomen. Om de devotie nieuw leven in te blazen werd in 2008 in De Krijtberg door de pauselijk nuntius Bacqué een reliekschrijn onthuld met het hart van pater Roothaan. Af en toe brandt voor zijn schrijn een kaarsje.

Links: borstbeeld (1876) van Pius IX met als opschrift: “Pius concert 16 juni 1876 te Amsterdam”.
Midden: reliekschrijn pater Roothaan in De Krijtberg
Rechts: foto van twee Nederlandse Zoeaven

Vanaf 1853 mochten er ook weer kloosters komen. Het eerste klooster boven de rivieren kwam in 1853 in Amsterdam. Het is het gebouw naast onze kerk, dat thans gerenoveerd wordt! Toen paus Pius IX en het Vaticaan door het leger van de Italiaanse revolutionair Garibaldi werden bedreigd, toonden katholieken hun dankbaarheid aan Pius IX voor het herstel van de bisdommen. Een groep van maar liefst 279 Amsterdamse katholieken vertrok per trein en boot als pauselijke strijders (Zoeaven) naar Rome om de paus te verdedigen. Omdat ze in vreemde krijgsdienst traden, werd hun de Nederlandse nationaliteit ontnomen. Voor katholieken waren het echter dappere helden. Hun vuur spoorde anderen aan om toe te treden tot de katholieke congregaties die in die tijd katholieke zorg en onderwijs op zich namen. De banden tussen de Nederlandse katholieken en Rome waren nog nooit zo nauw geweest. Zij werden wel “Roomser dan de paus” genoemd. Het vijfentwintigjarig ambtsjubileum van Pius IX werd in de Amsterdamse Parkschouwburg op 21 juni 1871 dan ook groots gevierd. Ook bij andere gelegenheden werd de verbondenheid met Rome benadrukt, zoals bij de Vaticaans-Nederlandse tentoonstelling (1887) en het Internationaal Eucharistisch Congres (1924).

Links: prent (1935) van Joep Nicolas: twee pelgrims van Amsterdam naar Rome met buidel en de staf
Midden: Alberdingk Thijm in 1887 met mejuffrouw Kerkhofs op de Vaticaans-Nederlandse tentoonstelling in Amsterdam
Rechts: kardinaal Van Rossum, die als pauselijk legaat voorzitter was van het Internationaal Eucharistisch Congres dat in Amsterdam van 22 t/m 27 juli 1924 plaatsvond

Na de Tweede Wereldoorlog zette zich de ontkerkelijking door die voor Amsterdam al geen nouveauté meer was. De Amsterdamse priesterstudent Bertus Aafjes verwoordt in zijn gedicht Voetreis naar Rome (1946) poëtisch zijn verlies van geloofszekerheden. Drang naar zelfontplooiing en individualisering van de naoorlogse generaties leidden ertoe dat Nederland niet langer Roomser dan de paus bleef. Het Tweede Vaticaanse Concilie kon, net zomin als indertijd het Concilie van Trente, de grote groep van uittreders terugbrengen naar de moederkerk. Wel werd de kerk met dit concilie gemoderniseerd, waardoor zij kon uitgroeien tot een wereldkerk. Het pausbezoek van 1985 was een dieptepunt in de ooit zo warme relatie tussen Nederland en Rome, maar luidde ook het einde in van de Rome-kritische stroming in de Nederlandse kerk. Sindsdien is er weer vrede met Rome en zijn we als vanouds dankbaar dat de pauselijk nuntius vorige maand in onze processie het H. Sacrament door de stad droeg.

Maurice Essers