Behoud, herbestemming en sloop van kerken in Amsterdam door de eeuwen heen

2008 werd uitgeroepen tot jaar van het behoud van het religieuze erfgoed. In een periode dat wekelijks kerken sluiten, is aandacht voor het behoud van katholiek erfgoed geen luxe. Dit onderwerp staat echter niet pas sinds 2008 op de agenda. Perikelen rond het katholieke erfgoed zijn in Amsterdam net zo oud als de stad zelf, zo blijkt uit een overzicht van het lot van de katholieke kerken en kapellen in onze stad.

Amsterdam is rond het jaar 1200 ontstaan rond de aan St. Nicolaas gewijde Oude Kerk. De kerk werd met de groei van de stad voortdurend uitgebreid. De grootste groei vond echter plaats aan de overkant van de Amstel, aan de Nieuwe Zijde. Daar werd rond 1400 de aan St. Catharina en OLV gewijde Nieuwe Kerk gebouwd. Naast deze twee parochiekerken had het Middeleeuwse Amsterdam vier losse kapellen, waaronder de Heilige Stede, en ongeveer dertig kapellen verbonden aan kloosters, het begijnhof en gasthuizen. Met de reformatie werd al dit katholieke erfgoed onteigend. De Oude en de Nieuwe kerk werden protestant en aan de meeste kloosterkapellen werd een openbare bestemming gegeven. Zo werd de kapel van het Agnietenklooster aula van de universiteit. De daarnaast gelegen kloosters vormden het Binnengasthuis, de voorloper van het AMC, en het Luciaklooster werd burgerweeshuis. Op het terrein van het oude Clarissenklooster vindt u nu het winkelcentrum Kalvertoren. Het poortje aan de Heiligeweg herinnert eraan dat dit klooster na de reformatie eerst een gevangenis werd. Ook werden kloosters gesloopt om wegen en huizen aan te leggen. Van het Middeleeuwse katholieke erfgoed van onze stad is zo weinig bewaard gebleven.

Vlnr: Agnieten, Lucia en Clarissenklooster

In de daaropvolgende ruim 150 jaar dat het katholicisme verboden was, stelde de Amsterdamse katholieke bevolking haar huizen open om een nieuw katholiek erfgoed te ontwikkelen, de schuilkerken. Aan de Kalverstraat kwam zo de schuilkerk “Het Boompje”, genoemd naar het huis waarin deze schuilkerk werd gevestigd. In de huizen Mozes en Aaron in de Joodse buurt kwam de Mozes & Aaronkerk. Ook de Krijtberg, Posthoorn, de Pool, het Stadhuis van Hoorn, de Papegaai, de Zaaier en andere schuilkerken hebben zo hun naam gekregen. De Oude Kerk werd als schuilkerk voortgezet in Ons’ Lieve Heer op Solder. Ook in het begijnhof werd een schuilkerk ingericht als opvolger van de door protestanten overgenomen oude begijnhofkapel.

Links: Het Hart (Ons’ Lieve Heer op Solder); rechts: Stadhuis van Hoorn (Dominicus)

Links: Mozes en Aaron. Rechts: De Boom, allebei kerken van de Franciscanen

Toen het katholicisme in 1853 weer werd toegestaan, werden veel van deze schuilkerken gesloten of vervangen door grotere kerken. Zo kwam op de plek van het Stadhuis van Hoorn in de Spuistraat de Dominicus (de oude gevelsteen van het huis van de katholieke schuilkerk is in de buitengevel ingemetseld). Van de oude schuilkerken bleven alleen de Begijnhofkerk en Ons’ Lieve Heer op Solder behouden. Die laatste kerk omdat de nieuwbouw ervan, de Nicolaaskerk, op een andere plek plaatsvond en omdat enkele katholieken geld hadden verzameld om Ons’ Lieve Heer op Solder te kopen om haar zo als religieus erfgoed te behouden. Zij maakten er het huidige museum aan de OZ Voorburgwal van, waarin veel van ons Amsterdamse katholieke erfgoed bewaard wordt. Het Boompje werd door V&D gekocht. Met de opbrengst werd de nieuwe Boomkerk aan de Admiraal de Ruyterweg gebouwd.

De nieuwe kerken uit de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw maakten Amsterdam weer tot een heilige stad. Degene die vanuit het centraal station de Nicolaaskerk zag of die langs het westelijke deel van de grachtengordel wandelde vanaf de Posthoorn, langs de Magdalenakerk, Dominicus, O.L.Vrouwekerk, Krijtberg naar de Willibrord buiten de Veste aan de Amstel kon zich daar iets bij voorstellen. Tijdens zo’n wandeling, kon je in hartje Amsterdam religieuzen op straat zien, zoals aan de Lauriergracht met het katholieke jongensweeshuis en het grote klooster van de zusters van De Voorzienigheid.

Vlnr: Magdalenakerk (sloop in 1968), Willibrordus buiten de Veste (sloop in 1970) en Nicolaaskerk

Ook de nieuwe kerken uit de 19e en 20e eeuw zijn onderdeel van ons katholieke erfgoed. Niettemin moest van 1965 tot 2000 door kerkgangers regelmatig geknokt worden voor het behoud van de kerken. Het ging daarbij niet alleen om behoud ervan als gebouw, maar ook als plaats voor katholieke eredienst. Het waren soms jarenlange gevechten, waarin door taaie weerstand veel gered kon worden. De problemen begonnen met de kerken in de binnenstad. Het aantal bewoners van de binnenstad nam vanaf de jaren zestig af door de trek naar de buitenwijken. Tegelijkertijd zette in die tijd de ontkerkelijking sterk door. Er kwam in 1969 een pastoraal plan voor de 10 parochiekerken, 24 kapellen, verenigingsgebouwen en 2 rectorale hulpkerken van de binnenstad om in te spelen op deze ontwikkelingen.

Het idee van het plan was om de parochies op te heffen en te vervangen door een Citykerk. Die kerk moest zich richten naar vragen en structuur van de moderne samenleving. Niet de kerk was het doel, maar de mens en zijn wereld. De Krijtberg moest worden gesloten en een “instuif” voor de jeugd worden. De Nicolaaskerk zou een opvangcentrum voor allochtonen, museum of bibliotheek worden en ook de Redemptoristen aan de Keizersgracht werd verzocht hun kerk te sluiten. Met de opbrengsten van de sluitingen zou de Citykerk haar activiteiten financieren. Het plan richtte zich ook op de kerken, die net buiten de binnenstad lagen. Daar zouden de Maria Magdalena en de grootste kerk van Amsterdam, de Willibrordus buiten de Veste, gesloopt en De Zaaier gesloten worden.

De bisschop aanvaardde het plan met de correctie dat de O.L.Vrouwekerk en de Nicolaaskerk mochten blijven bestaan. De parochies werden vervolgens opgeheven en de Citykerk kwam tot stand. Maar de sluiting van de kerken stuitte op grote weerstand. Paters en kerkgangers van de Krijtberg organiseerden verzet in het Comité tot behoud van de Krijtberg. Nadat de overste der Jezuďeten in 1972 meedeelde dat De Krijtberg definitief dicht moest en dat de paters zich maar beter op de Bijlmermeer konden richten, leek het pleit beslecht en trad het kerkbestuur af. De directeur van de Citykerk kondigde de sluiting aan, maar hij werd verrast door de plaatsing van De Krijtberg in 1973 op de Monumentenlijst. De Krijtberg werd daarna tussen 1979 en 2001 gerestaureerd en bleef behouden. Andere kerken werden wel gesloopt (Anna, Bonifatius, Vincentius en De Liefde) of kregen een andere bestemming (Vondelkerk, Mozes & Aaron, De Duif, Gerardus Majella, De Zaaier, Tichelkerk en Posthoorn). De Dominicus onttrok zich aan het katholiek gezag en werd een vrije oecumenische gemeente.

Vlnr: Bonifatius (sloop in 1984), Anna (sloop in 1978) en Vincentius (sloop in 1989)

De O.L.Vrouwekerk had echter de eerste aanslag in deze “tweede beeldenstorm” overleefd. Het aantal Redemptoristen nam echter zienderogen af, waardoor het voortbestaan van de O.L.Vrouwekerk in de jaren tachtig opnieuw onzeker werd. Net als bij de Krijtberg werkte de overste (der Redemptoristen) niet mee aan behoud van de kerk voor de katholieke eredienst. In februari 1984 kondigt hij aan dat de Redemptoristen in het voorjaar van 1985 de kerk zouden verlaten. In de tussentijd kon worden onderzocht of de katholieke dienst in de O.L.Vrouwekerk of elders voortgezet kon worden. Toen zich de Syrisch-orthodoxen als koper meldden werd de kerk echter zonder ruggespraak verkocht. De kerkgangers leken het nakijken te hebben. Maar net als bij De Krijtberg boden zij verzet. Er kwam een Actiecomité onder het motto “Help ons eer het te laat is” en het Opus Dei werd bereid gevonden om de zielzorg voort te zetten.

De verkoop kon echter niet meer teruggedraaid worden en de kerk zou op 1 mei 1985 voor de katholieken worden gesloten. Op 7 april (na afloop van de Paashoogmis) en 28 april 1985 (dag van het vertrek van de Redemptoristen) komt het Comité in actie. De kerk wordt bezet en aan de voorgevel worden spandoeken opgehangen: “Handen af van onze kerk!”. Dekens en andere spullen worden aangesleept met het oog op een langdurig verblijf. Alphonsuskoor, acolieten en collectanten verklaren zich solidair. Het Comité spant een rechtszaak aan tegen de Redemptoristen. Uiteindelijk wordt met de Syrisch-orthodoxe gemeenschap een regeling getroffen over het gezamenlijk gebruik van de kerk. Ook de tweede aanslag is overleefd!

Vlnr: de bezetting van de OLV Kerk: “Handen af van onze kerk”. Rechts: bezetters op het altaar

De liturgievieringen worden in de O.L. Vrouwekerk sindsdien door priesters van het Opus Dei verzorgd. In overleg met de uit het Comité voortgekomen liturgische commissie worden tijdstip en inhoud van de vieringen vastgesteld en wordt besloten tot invoering van het Romeinse Missaal van de Vereniging voor Latijnse Liturgie. Van de vermeende nood van gedeeld gebruik wordt later een deugd gemaakt: de samenwerking van de katholieke en Syrisch-orthodoxe gemeenschappen in onze kerk is een voorbeeld van oecumene geworden, wat o.a. bij de jaarlijkse Sacramentsprocessie tot uiting komt. De kerk hield dus stand. In 1989 wordt de Stichting De Oude Gracht opgericht die het klooster naast de O.L. Vrouwekerk koopt voor het inrichten van een Ontmoetingscentrum, waarbij de keuken van het klooster wordt verbouwd tot kapel. Dit jaar is begonnen met de verbouwing van de bovenverdiepingen nadat tussen 1994 en 1997 de O.L. Vrouwekerk zelf grondig gerestaureerd is, zodat het complex binnenkort volledig gerenoveerd zal zijn. Zoals deze bijdrage laat zien: niet al onze kerken en kapellen hebben de tand des tijds doorstaan. Veel is echter bewaard gebleven. Laten we hopen dat niet alleen de O.L.Vrouwekerk maar ook de daaraan verbonden gemeenschap, traditie, devoties en liturgie nog vele jaren bewaard mogen blijven. Goed voorbeeld van behoud en restauratie van de Krijtberg en O.L.Vrouwekerk doet immers volgen. Zo is de restauratie van de Obrecht bijna af en ook de (100)jarige Boomkerk in Oud-West lijkt door plaatsing op de monumentenlijst voor volgende generaties bewaard te blijven.

Maurice Essers