Processies en bedevaarten

Processies en bedevaarten horen bijna net zo bij het katholicisme als de sacramenten, zou je kunnen zeggen. In de maand van het hoogfeest van het Allerheiligste Sacrament waarin we op 26 juni weer onze Sacramentsprocessie lopen en na de bedevaart van onze kerk van 17 tot 25 mei naar het Heilig Land, lijken processies en bedevaarten deze keer een passend onderwerp.

Processies

De processie die ik zelf het beste ken, is niet onze Sacramentsprocessie maar een Zuid-Limburgse processie, de Broonk. Deze Broonk is een jaarlijks parochiefeest in juni waarbij (net als in de Sacramentsprocessie) het Allerheiligste Sacrament plechtig onder een baldakijn wordt rondgedragen. Het feest begint ’s zaterdags al na de avondmis met kamerschieten. Luide knallen verkondigen dan in de verre omgeving dat het de volgende dag Broonk is. Daarna wordt op de muziek van de fanfare tot diep in de nacht op straat gedanst. Zondag om 5 uur ’s-ochtends verkent de schutterij al trommelend de processieroute. Een praktische manier om te zorgen dat de feestvierders weer op tijd wakker zijn voor de mis. Tijdens de reformatie was het bovendien een manier om te checken of de processieroute veilig was.

Links: kamerschieten, waarbij het vuur via een lont naar de volgende kamer loopt
Midden: de Reveil, waarbij de schutterij om 5 uur ’s-ochtends alvast de route verkent
Rechts: de “hemel”

Na de Hoogmis wordt nauwkeurig de processie opgesteld. Voorop stevige mannen met bijlen om barricades op te ruimen, gevolgd door schutterij en groepen met beelden en vaandels, communicantjes, fanfare, kerkelijk zangkoor, misdienaren en acolieten met flambouwen, processiekruis en wierookvaten. Dan de baldakijn met daaronder het Allerheiligste, gedragen door een priester in een monstrans. Daarachter in twee rijen de parochianen, eerst vrouwen, dan mannen, die de rozenkrans bidden. De eeuwenoude processieroute is door bewoners versierd met processiepaaltjes waaraan vlaggen hangen en met bogen en bloemen. Ook communicantjes strooien bloemen. In de ramen van de huizen zijn heiligenbeelden en altaren te zien en branden kaarsen. Langs de route staan thuisblijvers met gasten uit omliggende dorpen. Als het Allerheiligste nadert, knielen zij eerbiedig neer en slaan ze een kruisteken.

Op rustaltaren langs de route wordt het Allerheiligste uitgestald en aanbeden. Bij binnenkomst van de processie worden het Te Deum en Tantum Ergo gezongen terwijl de kerkklokken luiden. Thuis volgt een feestelijke maaltijd, waarna kinderen met ooms naar de kermis mogen gaan en 2 feestdagen volgen. Het volgende weekend in juni klinkt dan elders eenzelfde knal die uitnodigt voor een nieuwe Broonk. Dichter bij huis doet de Larense Sint Jansprocessie aan zo’n Broonk denken. Deze processie bij het feest van Sint Jan (24 juni) werd in 1886 omgezet in een Sacramentsprocessie, maar zij bleef ook daarna kenmerken van een Broonk houden.

De Larense processie, links een sierboog en rechts een rustaltaar met zittend in de kapel kardinaal De Jong

Onze Amsterdamse Sacramentsprocessie is pas van 2002. Van een eeuwenoude traditie kun je dan niet spreken. Of toch? Voor de reformatie waren er ook in Amsterdam vele processies. Op Palmzondag was er een processie, het ene jaar vanuit de Olofskapel naar de Oude Kerk en het andere jaar vanuit de Heilige Stede naar de Nieuwe Kerk. In die processie werd de intocht van Christus in Jeruzalem nagebootst, compleet met houten ezel op wieltjes, voortgetrokken door Jeruzalemvaarders en gevolgd door twaalf mannen uit het Oude Mannenhuis, die de apostelen symboliseerden. Verder was er natuurlijk de Mirakelprocessie, die jaarlijks op de woensdag na Sint Joris werd gelopen. De route daarvan is dezelfde als die van haar opvolger, de Stille Omgang. Er waren onderweg twee rustaltaren, waarvan één op de Nieuwebrug waar de priester de schepen op het IJ zegende. Net als de Broonk werd de Mirakelprocessie de dag vantevoren openbaar aangekondigd. Niet met kamerschieten, maar om 12 uur op de Dam vanaf het stadhuis. Zelfs in Leiden en Haarlem werd de Mirakelprocessie die dag openbaar aangekondigd. Waarschijnlijk waren, net als bij de Broonk, de huizen en straten langs de processieroute uitbundig versierd. Voorop liepen trompetters. Daarna volgden groepen met vaandels en beelden. Kinderen beeldden voorstellingen uit als Sint Joris met de draak.

Links: de processie op Palmzondag met het ezeltje. Vanuit het huis worden palmtakken geworpen naar de man op de ezel
Rechts: de Middeleeuwse Sacramentsprocessie komt binnen bij de Amsterdamse Oude Kerk

In de Begijnhofkapel ziet u de processie op twee schilderijen, rechts van de ingang en op de galerij. Achter de twee schilderijen schuilt een u allicht bekend verhaal. De toenmalige pastoor van de Begijnhofkapel was een liefhebber van de geschiedenis van het katholicisme. Het geld dat hij bij zijn zilveren priesterjubileum had ontvangen, wilde hij daarom gebruiken voor een schilderij met een mooie voorstelling van de Amsterdamse Mirakelprocessie. Daarop zouden als deelnemers enkele notabele katholieken figureren. Voor deze opdracht werd een jonge schilder, Derkinderen, gekozen, die aan de Rijksacademie studeerde. Het schilderij zou in maart 1886 kort voor de Mirakelprocessie af moeten zijn. Als beloning zou Derkinderen niet alleen een geldsom krijgen. Hij mocht ter inspiratie ook een studiereis naar Italië maken. Derkinderen maakte een eerste schets met waterverf voor het schilderij, die zeer in de smaak bij de pastoor viel. Ook maakte hij schetsen van figuranten. Meer dan 70 Amsterdamse notabelen moesten opdraven om voor Derkinderen te poseren. Hieronder zijn enkele van deze schetsen te zien. In de tussentijd gaf de pastoor de schilder aanwijzingen over kleding, wapens en voorstellingen voor het schilderij. Niets werd aan het toeval overgelaten.

Nadat de schetsen klaar waren vertrok Derkinderen volgens afspraak naar Italië voor zijn studiereis. Op de terugweg deed hij Parijs aan. Daar raakte hij onder de indruk van de dromerige stijl van de schilder Puvis de Chavannes. Terug in Amsterdam begon Derkinderen in zijn atelier aan de Egelantiersgracht in diezelfde nieuwe stijl aan het schilderij. Doordat het schilderij door hem ook nog eens van een dunne “voorjaarsnevel” werd voorzien, waren de notabelen er niet meer op te herkennen. Het resultaat laat zich raden. De pastoor schaamde zich dood en weigerde het schilderij te accepteren. Sterker nog, hij weigerde er maar een cent voor te betalen. Ondanks bemoeienis van velen, was de pastoor onvermurwbaar. Hij liet een nieuw schilderij van de processie maken door de schilder Philippeau. Het schilderij van Derkinderen belandde in het museum. Pas toen schilder en pastoor overleden waren, kwamen beide schilderijen in de Begijnhofkapel bij elkaar, waar zij dus nog steeds te zien zijn.

Boven: het schilderij van de Belgische schilder Philippeau dat bij de pastoor beter in de smaak viel.
Onder: het schilderij van de processie op de Nieuwebrug met op de achtergrond het IJ en rechts Sint Joris op het paard

De op de beide schilderijen afgebeelde Amsterdamse Mirakelprocessie werd ook wel de Sacramentsprocessie van de Vasten genoemd. Op Sacramentsdag volgde de processie van de zomer, de Sacramentsprocessie zoals wij die - dankzij onze OLV Kerk - sinds 2002 weer mogen lopen. Ook onze processie heeft dus – net als de Stille Omgang - een Middeleeuwse voorganger, waardoor we wel degelijk met trots van een eeuwenoude traditie mogen spreken!

Aan deze Middeleeuwse processies kwam in 1578 een voorlopig einde toen Amsterdam als laatste Hollandse stad in handen van de opstandelingen viel en het katholicisme er verboden werd. Toen ruim 200 jaar later katholicisme weer werd toegestaan bleef een processieverbod van kracht. De Grondwet verbood katholieke processies op plaatsen waar zij niet gebruikelijk waren. De Broonk, die met bescherming van haar schutters de reformatie had doorstaan, kon zo blijven bestaan. Maar in het noordelijke deel van ons land werd in 1848 alleen voor Laren een uitzondering gemaakt. Tot 1983 faalden alle pogingen om het verbod ongedaan te maken. Maar inzichten veranderden en uiteindelijk werd het verbod geschrapt.

Bedevaarten

In een eerdere bijdrage is al geschreven over het H. Mirakel en bedevaarten naar de Heilige Stede in Amsterdam. In de Middeleeuwen waren er natuurlijk ook al bedevaarten naar Rome, Santiago de Compostela en Jeruzalem. Amsterdammers die zich dat financieel konden permitteren bezochten deze bijzondere plaatsen graag. Pelgrims die het Heilige Land bezocht hadden werden Jeruzalemvaarders genoemd. Hun broederschap speelde, zoals hiervoor genoemd, een rol bij de processie op Palmzondag, waar de Jeruzalemvaarders het houten ezeltje mochten trekken. Bij gebrek aan fototoestel, lieten deze Jeruzalemvaarders zich graag met palmtak als souvenir en Jeruzalem kruis als bewijs van hun ridderschap van het Heilige Graf bij thuiskomst schilderen, zoals hieronder te zien is op een schilderij van Jan van Scorel.

De pelgrims van de OLV Kerk die tijdens de jaarlijkse bedevaart in mei het Heilig Land bezoeken krijgen als bewijs een oorkonde. Het houten ezeltje hoeven zij niet meer te trekken sinds de processie van Palmzondag in 1578 werd verboden. Dat jaar kwam overigens niet alleen aan de processies een einde. Alle Amsterdamse kloosters en kerken, waaronder de Heilige Stede, werden gesloten, zodat het ook gedaan was met de bedevaarten naar het H. Mirakel in de Kalverstraat. Andere bedevaartsoorden die binnen de Republiek der Verenigde Nederlanden vielen, zoals Heiloo en Alkmaar, werden eveneens gesloten. Het duurde echter niet lang of er ontstonden nieuwe op Maria gerichte bedevaartsoorden in de Spaanse Nederlanden vlak over de grens. De bekendste daarvan zijn Kevelaer en Scherpenheuvel. Amsterdam was er snel bij. In 1690 was er al een broederschap opgericht die jaarlijks bedevaarten naar Kevelaer organiseerde. Deze groepsbedevaarten vertrokken, ondanks het processieverbod, te voet vanuit Amsterdam met vaandels en processiekruis richting Kevelaer. Paard en wagen met proviand sloten de stoet, zoals een bezemwagen bij een wielerkoers.

Links: OLV van Scherpenheuvel, midden: OLV van Kevelaer
Rechts: in de kaarsenkapel in Kevelaer zie je de schilden van de oudste bedevaarten met links een ereplaats voor het wapenschild van Amsterdam

In die tijd was je te voet een week onderweg naar Kevelaer en weer terug. In de jaarlijks door de OLV kerk in de Rozenkransmaand oktober georganiseerde bedevaart naar Kevelaer vertrekken de pelgrims ’s ochtends per bus om ’s avonds weer in Amsterdam op de Westermarkt aan te komen. Hoewel de tocht vanuit Amsterdam er met de uitvinding van de autobus een stuk gemakkelijker op is geworden, is de aantrekkingskracht van Kevelaer en Scherpenheuvel door de eeuwen heen gebleven. Nog steeds is het indrukwekkend om te zien hoe er dagelijks pelgrims van heinde en verre te voet, per bus of fiets aankomen. Sommigen alleen, anderen in groepen met hun pastoor en soms zelfs met een complete fanfare erbij. Tot slot, je hoeft gelukkig Amsterdam niet te verlaten om op bedevaart te gaan of om een processie mee te maken. Zo wordt op Palmzondag in de OLV kerk en ook in andere katholieke kerken in Amsterdam een kleine processie met palmtakken door de kerk gehouden. Ook voor degenen waarvoor een bedevaart naar Jeruzalem te zwaar of te duur is, is een oplossing bedacht, namelijk de kruisweg. In 1741 werd de kruisweg verplicht in alle katholieke kerken. Sindsdien kun je niet alleen in Jeruzalem de kruisweg lopen maar kun je dat ook in je eigen kerk langs de kruisstaties doen. En ook de Sacramentsprocessie is vanuit de OLV kerk weer in ere hersteld. Het is een devote processie geworden, die beantwoordt aan het idee van “Processit ad Patrem”, de gemeenschap van gelovigen en priesters die door gezamenlijk gebed en zang dichter bij God komt. Een processie, die bovendien door de deelname van Oriëntaals en Oosters orthodoxe kerken, elk met hun eigen processietradities, een uniek karakter heeft. Het is interessant om te zien dat ook elders sinds kort eeuwenoude processies weer worden gelopen en dat de aandacht voor bedevaarten toeneemt, ook bij niet-katholieken. Het geeft de kracht van deze tradities aan en het geloof waar zij uit voortkomen.

Maurice Essers